Vreemde gasten, die Bhutanezen

“Laat me alsjeblieft zelf rijden”, wil ik uitschreeuwen, als we weer in een slakkengangetje over de Bhutanese wegen kruipen. Chauffeur Ajit heeft maar één doel in het leven: zijn auto elke avond heelhuids parkeren voor het hotel. Ik voel me alsof we in een nooit eindigend woonerf verdwaald zijn. De snelheidsmeter komt zelden boven de dertig. Ik geef toe dat de gemiddelde kwaliteit van de wegen geen Duitse snelheden toestaan, maar een beetje meer gas lijkt me toch wel kunnen. Dan zie ik ineens dat we zelden of nooit worden ingehaald. Sterker, meestal gebruikt Ajit zijn toeter met veel enthousiasme als weer eens een logge vrachtwagen, onzekere bestuurder of zwalkende bus ingehaald wordt. Ik zit in de auto bij een Bhutanese wegpiraat! Alsof de strook asfalt nog niet genoeg bochten heeft – ik heb een keer negen bochten binnen tweehonderd meter geteld, waarvan er twee als haarspeld geclassificeerd mogen worden – zoekt hij ook nog een weg tussen de gaten in het wegdek door. Hij wordt niet geremd door het concept van de linker – en voorgeschreven – of rechter – met tegemoetkomend verkeer – zijde van de weg, maar gebruikt de weg en de bijbehorende berm in haar volle breedte. Complicerende factoren zijn grazende koeien, die het theorie-examen van de plaatselijke CBR nooit onder ogen hebben gehad, en een midden op de weg opduikend en niet te omzeilen benzinestation. Ook wordt het passerende verkeer gebruikt door de bamboevlechters. In plaats van je nagels scheuren bij het splijten van de bamboestengels, laat je de banden van de toeristenbakken het zware werk doen. Zou hier de naam Multi Purpose Vehicle vandaan komen?

Aan de eetgewoonten van de Bhutanezen wen ik maar niet. Het maakt niet uit wat ze voorgeschoteld krijgen, maar er zit altijd een gerecht bij dat bestaat uit chilipepers en een kaassaus. De laatste blust in geringe mate het vuur dat het eerste veroorzaakt. De eerste keer dat dit gerecht op tafel verscheen, schepte ik het met een paar forse lepels over de rode rijst, die in Bhutan eerder de regel dan de uitzondering is. Ik nam er één hap van en de eerste indruk was: hmmm, pittig spul. Toen maakte ik een fout. Met mijn tong maakte ik een likkende beweging over mijn lippen. Een minuutje ging het goed. Toen begon mijn tong te prikken. Ik dronk een glas water om de prikkeling te verminderen, maar het hielp weinig. Ik voelde me net een brandweerman met een plantenspuit, die een brandende oliebron moest blussen. Langzaam begonnen nu ook mijn lippen tekenen van uitslaande brand te vertonen. Om de pijn te verlichten, streek ik met de rug van mijn linkerhand langs de gevarenzone. Dom, dom, dom, want nu begon ook die hand te prikken alsof een acupuncturist al zijn spelden tegelijk in mijn gevoelige huid boorde. Eén ding was mij duidelijk: ik raak geen chilipeper meer aan. Zelfpijniging is niet mijn stijl. De rest van de reis had ik geen enkel medelijden met Dorji of Ajit – deze leugenaars zeiden: erg heet, maar het verwarmt je lichaam – als zij klagelijk over hun buik streken, omdat ze de avond daarvoor een beetje te veel chili naar binnen hadden geschoven.

Ara drinken daarentegen is een gewoonte, die ik me wel eigen zou kunnen maken. Dit drankje is een soort rijstewijn, dat je aangeboden krijgt als je Bhutanese families thuis bezoekt. Het smaakt naar jonge jenever. In Trongsa werd ik uitgenodigd bij Nima, een ‘broer’ – het is eigenlijk een neef – van Dorji, die commandant van de politie in de Dzongkhag Trongsa – een provincie ongeveer ter grootte van de provincie Utrecht – is. In een bescheiden woning neem ik plaats op de erezetel. Ik kijk tegen een kast waar foto’s van de vorig jaar geboren dochter en zeer aantrekkelijke echtgenote staan. Verder is de uitgebreide collectie van Barbiepoppen, alle nog in hun originele doos, uitgestald. Rechts onderin staat een plastic fles met een kleurloos goedje. Het blijkt ara te zijn, die thuis gestookt werd door een kennis in een dorp een dal verderop. Blijkbaar is thuis sterke drank stoken toegestaan of de politie is toch iets corrupter dan ik vermoedde aan de hand van mijn observaties. Ik krijg een tot de rand gevuld borrelglaasje aangeboden. In mijn onschuld denk ik dat ééntje wel geen problemen zal geven, maar zo makkelijk kom ik er niet vanaf. De gewoonte is om de eerste drie glazen zonder commentaar op te drinken. Pas bij het vierde glas is het mogelijk om vriendelijk aan te geven dat je limiet bereikt is. Drie borrelglaasjes kan ik gelukkig zonder probleem aan. Als ik later in de Phobjika vallei bij een boerengezin een plastic rijstekom ara aangeboden krijg, zie ik mezelf al zwalkend de weg terug naar het hotel afleggen, want een halve liter van dit goedje is vermoedelijk boven mijn limiet. Gelukkig schenkt de gastvrouw al bij als ik een paar nipjes genomen heb, dus de schade blijft binnen de perken. Ik had al genoeg moeite met de overduidelijke armoede, waarin dit gezin leeft. Om op hun kosten ook nog dronken te worden, is wel erg schrijnend.

Rothonden! Deze keer heb ik het niet over aanhangers van Rita Verdonk, die hun onderbuikgevoel tegenwoordig zonder gêne denken te kunnen tonen. TON is LPF deel 2. De aanhangers hebben dezelfde foute witte smokings met rode overhemden aan, het haar gekamd alsof ze naar een Elvis Presley reünie gaan en een uitdrukking op het pafferige gezicht, die van weinig intelligentie getuigt. Tuig Overheerst Nederland is het eerste wat bij me op komt als ik dat treurige stelletje nouveau riche op een krantenfoto geportretteerd zie bij de presentatie van de ‘ideeën’ van Rita-recht-door-zee-zolang-ik-maar-in-het-middelpunt-van-de-belangstelling-sta-Verdonk. Maar terug naar een andere categorie rothonden. Avond aan avond blaffen ze hun longen uit het lijf. Waar je ook verblijft in Bhutan, ze zijn onderdeel van het straatbeeld, de zwerfhonden. Overdag zie je overal opgerolde hondenlichamen. Lekker in het zonnetje liggend slapen de krengen de vermoeienissen van de afgelopen nacht weg. Ik moet toegeven, dat na een week het voortdurende gejank me niet meer wekt. Je went eraan, maar ik kan het niet laten om regelmatig een slapende hond even te wekken en hem bestraffend toe te spreken: “Was jij dat vannacht, die me uit mijn slaap hield? Niet meer doen!”. Het is kinderachtig, maar soms lucht wraak best op. Dorji moet wel lachen om mijn infantiele gedrag. Hij huldigt de mening:“Bhutan heeft geen terroristen. Bhutan heeft honden.”

Kraanvogels zijn veel rustiger. Misschien komt dat omdat ze al vertrokken zijn naar hun zomerverblijf in Noord Tibet, want zij kunnen het afsluiten van de grenzen door de Chinezen gewoon negeren. Deze vogels hebben in Bhutan een heilige status, terwijl de afnemende aantallen streng beschermd worden. Op het doden van een exemplaar staat levenslange gevangenisstraf, terwijl het vermoorden van een mens maar vijftien tot twintig jaar kost en inwoning oplevert. Het verbaast me wel dat voor moord op bankemployees geen strafvermindering wordt gegeven. Waar wij gewend zijn om even naar de muur te lopen en een minuutje later met een stapel bankbiljetten weer aan het consumeren kunnen slaan, ben ik in Bhutan in de middeleeuwen beland. Al bij het betreden van het bankkantoor wordt mijn vertrouwen in het Bhutanese bankwezen ondermijnd. De ruimte is een donker hok dat niet groter is dan een gemiddelde hotelkamer van een middenklasse hotel. Door het midden over bijna de gehele lengte is een balie, waarop een ongeordende stapel kasboeken – voor de jongeren onder jullie: een stapel ingebonden ruitjespapieren waarin inkomsten en uitgaven werden opgeschreven, voordat de microchip zijn intrede deed – lag. Het krioelt van de mensen, waarbij het niet altijd duidelijk is of het klanten of bankemployees zijn. Links in het hoekje is tussen balie en buitenmuur een hok van kippengaas geplaatst, met twee luikjes waar net een hand doorheen kan. De ene is getooid met het opschrift ‘Betaling’, de andere met ‘Ontvangst’, maar als bij een goede bank wordt dit luikje geblokkeerd door een rood plankje. Waarschijnlijk wordt dat plankje alleen verwijderd als de plaatselijke Rijkman Groenink een deel van zijn ontslagvergoeding komt ophalen. Ik voel me als een product op de lopende band. Melden bij de kassier achter het kippengaas met een paar eurobiljetten. Stempel erop en doorschuiven naar een bureau weggestopt in de andere helft van het bankkantoor achter de balie. Het betalingsbewijs wordt uitgeschreven, terwijl allerlei vage figuren het kantoor van de manager achter het bureau in en uit lopen. Stempel erop en de employee schrijft het eurobedrag en de tegenwaarde in ngultrum op in een kasboek, dat hij uit de grote stapel op de balie weet te vissen. Stempel erop en mijn verblijfvergunning wordt gecontroleerd, want wie denkt er nog aan dat je een paspoort nodig hebt bij geld wisselen. Stempel erop en het betalingsbewijs wordt aan de bevoegde manager gegeven, die meer belangstelling heeft voor de advertenties met felicitaties voor de winnaar van de verkiezingen in de krant. Stempel erop en de kassier krijgt opdracht om de betaling uit te voeren. Stempel erop en eindelijk heb ik na een kwartier een stapeltje biljetten in handen, die ik door het luikje ‘Betaling’ ontvang. Naast me staat een Amerikaanse met humor te wachten, want haar travellers cheques zijn een half uur eerder ingeslikt, maar nog niet uitgespuugd door de ambtelijke molen. Ze verzucht: “Ik zou ook nog even wachten, want met Bush aan het bewind wordt de dollar elke seconde minder waard.”

Aanpassingsvermogen is een vereiste als je door Bhutan reist. De beheerders van de tempels hebben hun eigen agenda en die strookt niet altijd met die van de toerist. Vooral de niet door de overheid gesponsorde tempels, die dus afhankelijk zijn van giften van derden, blinken uit in onvindbare sleutels. Maar ook Dorji heeft zo zijn verrassingen. Na de eerste nacht in Paro staan we ’s ochtends op het punt om naar het festival te vertrekken. “We gaan vanavond in een ander hotel slapen”, deelt hij me mede. “Okay, wanneer brengen we de spullen naar het andere hotel?”, vraag ik in mijn onschuld. “Wat dacht je van nú?”, krijg ik te horen. Eén minuut later sta ik op mijn kamer in grote haast al mijn spullen te verzamelen. Als we weer een minuut later bij de auto staan, hoop ik dat ik niets over het hoofd heb gezien. Meestal kom je daar pas achter op het meest ongelegen moment, bijvoorbeeld je mist je Diacure om weer fit na het zien van Fitna te worden. Waar ik ook aan moet wennen, is het rondlopen op kousenvoeten door de tempels. Voor toekomstige Bhutangangers is het aan te raden om schoeisel mee te nemen, dat snel uit en aan gedaan kan worden. Schoenen met veters vergen veel tijd, lenigheid en dreigen je soms geld te kosten. Als ik bij Tango Goemba, een soort kloosteruniversiteit net ten noorden van Thimphu dat na een stevige wandeling bergop te bereiken is, mijn rechterschoen aan het strikken ben, terwijl deze schoen op een ijzeren box rust, denken de monniken in opleiding dat ik van plan ben de schoen te doneren. Mijn maat 46 verbergt de tekst, die ik pas lees als ik mijn voet optil: Donatiebox. Alles wat je hierop legt of in stopt, is voor het klooster. Gelukkig hebben de monniken begrip voor een domme toerist en kan ik mijn weg vervolgen met beide schoenen en hoef ik de berg niet af te dalen als een Manke Nelis.

Met sporten kom je regelmatig in aanraking. De nationale sport is boogschieten. Op een zondagochtend belanden we in Jakar, provincie Bumthang – wat overigens onterecht de vallei van de mooie meisjes betekent – in centraal Bhutan, in een plaatselijk toernooi. De mannen in gho – de traditionele mannenklederdracht – hebben alleen een bamboeboog in handen, terwijl de vrouwen in kira – de traditionele vrouwenklederdracht – toekijken, de tegenstander uitjoelen, het eigen team aanmoedigen en dansjes maken als de landing van de pijl daar aanleiding toegeeft, in de roos bij het eigen team of een afzwaaier van de tegenstander. Het team bestaat uit een elftal personen en iedereen schiet twee pijlen. Het doel is niet groter dan een pizzabord op 120 meter afstand. Nadat ieder teamlid gereed is, wandelt hij alvast naar het doel zich niet bekommerend om rondvliegende pijlen. Nadat het laatste teamlid zijn pijlen afgevuurd heeft, worden de punten – hoe dichterbij de roos, hoe meer – geteld en begint het hele spel weer van vooraf aan, maar nu in tegengestelde richting. Als ze de pijl afschieten, ben ik hem halverwege al uit het oog verloren. Alleen een stofwolkje in het zand of een rondedansje van supporters en teamleden in de buurt van het doel geeft enige indicatie waar de pijl geland is. Regelmatig loopt een schutter schreeuwend achter de pijl aan alsof die onderweg over te halen is om van richting te veranderen. Missers worden luid becommentarieerd, terwijl teamleden druk gebarend de schutter nogmaals wijzen op de roos om hem duidelijk te maken, waar hij op dient te mikken. Ondertussen liggen halverwege de baan een paar honden rustig bij te komen van de vermoeienissen van de afgelopen nacht. Helaas komen de afzwaaiers niet eens in hun buurt terecht. Daarvoor zijn de Bhutanezen net iets te bedreven in het boogschieten. Ook kennen ze een fusie van darts en speerwerpen, khuru genaamd. Met darts, die kilo’s Stanazolol hebben geslikt, gooi je naar een doel – een plankje met een roos erop – dat ongeveer dertig meter verderop staat. Onder invloed van ara heb ik een paar pogingen gewaagd tegen Nima en Dorji. Het is dezelfde beweging als een service bij het tennis, waar ik meer dan genoeg ervaring mee heb. Helaas tennis ik rechtshandig, maar gooi ik als een pubermeisje met deze kant. Gooien met links ziet er beter uit, maar die schouder is duidelijk ongetraind merkte ik de volgende ochtend, toen ik mijn kopje thee nauwelijks omhoog naar mijn mond wist te brengen. Voor de geïnteresseerden: de roos heb ik niet getroffen, het plankje heb ik niet getroffen, het zand heb ik zonder moeite getroffen, waarbij ik vooral trots was op de worp die op ongeveer drie meter van het doel landde.   

Prachtig land! Dat is mijn algemene indruk van Bhutan en toch knaagt er iets. Er is iets waar ik de vinger niet achter kreeg, totdat ik me ineens een bezoek aan Oost-Berlijn herinnerde vlak voordat de muur viel. Ik ontmoet dezelfde kritiekloze houding ten opzichte van de machthebbers. Honecker en zijn trawanten of de koningen van Bhutan, ze werden of worden op dezelfde manier bewierookt om hun visie voor de ontwikkeling van het land. Toch is er een groot verschil: Ik krijg het gevoel dat de verering van de koning werkelijk gemeend is, want men is wel bereid om kritische vragen serieus te beantwoorden, terwijl in Berlijn de partijgrammofoon grijs gedraaid werd, waarbij de DDR als een utopische maatschappij – alleen geloofwaardig als je liefhebber van de kleur grijs, grauw grijs, bent – werd gepresenteerd. De Bhutanees is trots op wat Bhutan onder leiding van de koningen in de laatste halve eeuw bereikt heeft, maar het besef dat er nog een lange weg te gaan is, is ook aanwezig. Vooruitgang door geïmporteerde technologie is geen angstbeeld, maar verlies van eigen cultuur wel, waarbij de Lhotshampa voor het gemak als cultuurvreemd worden gezien. Met plezier denk ik terug aan alle rode monden door het kauwen op de betelnoot met limoen en rode plekken op straat waar de resten van dit goedje werden uitgespuugd. Ik glimlach als ik de avonden aan de snookertafel terughaal waar mijn superieure lengte duidelijk invloed had op de einduitslag. Ik ben vertederd door de subtiele manier waarop men aangeeft dat er genoeg gegeten of gedronken is, hand voor mond of boven kop, of toiletbezoek gewenst is, pink in de lucht. Grappig vind ik de uniforme reclameborden boven de winkels, witte letters op een blauwe achtergrond, of het wisselgeld in snoepjes, eentje per ngultrum. Ik verwonder me over de rododendron op de voorkant van de taxi’s of het onbegeleid aanwijzen van je ruimbagage op het platform op het vliegveld van Paro bij vertrek. Ik schud meewarig het hoofd als ik hoor dat als teken van milieubewust leven alle daken van Thimphu en andere bevolkingscentra groen geverfd moeten worden, vooral omdat de verf zo dik op de aflopende golfplaten wordt gesmeerd, dat ik door onoplettendheid – fotograferen onder een net geschilderd afdakje is niet aan te raden – heel wat zeep nodig heb gehad om mijn haren weer donkerblond te krijgen. Of de trui nog te redden is, zie ik wel in Nederland. Er is echter nog één vraag waar ik maar geen antwoord op krijg. Waarom worden sommige bochten via een verkeersbord aangekondigd als scherpe bocht, terwijl alle andere duizenden even scherpe bochten deze voorkeursbehandeling niet krijgen?

8 April 2008
By on 19:00
Alweer een tempel?

Thimphu, de hoofdstad van Bhutan, is één grote bouwplaats. Overal zijn verschillende stadia van bouwwerkzaamheden te zien, variërend van meestal een net gelegde fundering tot bij hoge uitzondering bijna complete gebouwen, waar de schilders de laatste hand leggen aan de verfraaiingen van de muren. In welk stadium de bouw ook is, er geldt één gebod: Het moet af zijn voor de kroning. Er is echter een kleine complicerende factor. Niemand weet wanneer die kroning van de vijfde koning gepland is. Sommigen beweren juni, anderen zien het niet voor oktober gebeuren. Ik heb het gevoel dat er een ambtenaar van het ministerie “Hoe bouw ik een huis, hotel of ander nuttig pand” elke ochtend een ronde wandelt langs alle projecten. Wanneer hij het idee krijgt dat de gebouwen fatsoenlijk genoeg zijn om aan de internationale VIP’s te tonen, geeft hij een seintje aan de koning, dat hij zijn kroon kan komen ophalen. Als ik echter naar de bouwers kijk, heb ik mijn twijfels of dat nog dit jaar gaat gebeuren. De meest overheersende werkhouding is op de hurken zitten en genieten van de zon. Meestal wordt een schep gebruikt als leuning en niet waarvoor het gereedschap ontworpen is. De meeste gebouwen zijn niet verder dan een betonnen geraamte, maar men kent hier geen vorstverlet, werkdagen van 7,6 uur en men kent hier vooral niet het veelkoppige monster van de ARBO-wet, die ervan uitgaat dat iedereen die zich in Nederland meldt voor betaalde arbeid het gezonde verstand en elk ander functionerend deel van de hersenen thuis op de keukentafel heeft achter gelaten. Dus elke keer als we weer langs een bouwproject rijden, kan ik het niet laten om te vragen wanneer de opleveringsdatum is. Elke keer antwoordt Dorji, de gids, glimlachend: “Voor de kroning”.

Ik raakte in Thimphu verzeild op en net na de verkiezingsdag. Aangezien de meeste mensen, die in Thimphu wonen elders geboren zijn, was de stad nagenoeg uitgestorven, want stemmen gebeurde in de geboorteplaats. Een uitzondering is gemaakt voor de mensen, die voor leger, politie of toeristen – leuk om ook tot dat rijtje te behoren – werken, want die waren toegestaan om per post te stemmen. Aangezien het beleid hier erg gericht is op milieubewustzijn is de keuze hiervoor wel vreemd. Doordat iedereen naar zijn geboortegrond moet, ontstaat er een grote volksverhuizing. Er is maar één weg van west naar oost, dus er ontstaan al snel verkeersopstoppingen. Bovendien worden de dagen voor en na de verkiezingen de grensovergangen afgesloten, waardoor bijvoorbeeld mensen uit de Dzongkha (provincie) Samtse in het zuidwesten van het land een week van huis zijn, omdat deze provincie alleen via India te bereiken is. Als toerist in Thimphu is die trek naar de geboorteplaats wel lastig, want de meeste bezienswaardigheden – die blijkbaar niet tot de toeristenindustrie behoren – waren gesloten door gebrek aan personeel. Ook de winkels werden pas in de dagen na de verkiezingen weer mondjesmaat geopend. Maar met wat flexibiliteit en iets meer vrije tijd dan verwacht in het schema heb ik uiteindelijk alle onderdelen van het programma wel gezien of gedaan, met uitzondering van golfen op de Royal Thimphu Golf Club. Dat geeft me nog een reden om weer eens terug te keren.

Aan de 24-uurs begeleiding door een gids en chauffeur moet ik wel wennen. Soms voel ik me zelfs een beetje ongemakkelijk. Zo bezoek ik eerst de Nationale Bibliotheek, waar drie verdiepingen in beslag worden genomen door boeken met religieuze teksten uit alle richtingen, die het Boeddhisme kent. Dit zijn echter andere boeken dan wij gewend zijn. Het is een stapel langwerpige papieren, ongeveer een halve meter bij tien centimeter, die tussen twee planken geklemd worden. Om de boel bij elkaar te houden is de stapel omwikkeld met doeken en linten in de kleuren van de vijf elementen, rood, blauw, geel, groen en wit. Afhankelijk van de richting van het Boeddhisme overheerst één van de kleuren. Het zijn dus geen boeken om vlak voor het slapen gaan ter hand te nemen, want dan begint de volgende dag met het uitpluizen wat ook alweer de volgorde van de teksten was, omdat het boek op de grond gevallen is, nadat je al lezend in slaap bent gevallen. Na nog een laatste blik op het grootste boek ter wereld, een fotoboek over Bhutan met pagina’s van zeker anderhalve meter hoog, staat de chauffeur met zijn robuuste goudkleurige Hyundai Tucson– een zeer populaire toeristenbak – alweer klaar om de deur aan passagierszijde voor me open te houden. Als we het terrein afrijden, draaien we gelijk de volgende parkeerplaats op van het National Heritage Museum. Voor Koningin Beatrix is zo’n behandeling dagelijkse kost, maar ik had dat stukje liever gewoon gelopen. Hoewel? Waarschijnlijk had de chauffeur me op gepaste afstand met de auto stapvoets gevolgd. Dat staat ook weer zo koloniaal.

Het grootste deel van de bezienswaardigheden bestaat uit tempels, kloosters met tempels of dzongs (kastelen) met tempels. Bij het betreden van een tempel is het gebruikelijk om het schoeisel bij de deur achter te laten. Dat brengt me bij een belangrijk dilemma, dat mij elke ochtend bezig houdt. Trek ik mijn wandelschoenen met een uitbundig paar veters aan of kies ik toch voor de in Kathmandu gekochte sandalen met de handige klittenbandjes? Bij de keuze maak ik gebruik van een uitgebreide wetenschappelijk verantwoorde vragenlijst, waarvan ik achterliggende technische details zoals algoritmen en waarschijnlijkheidsfrequenties ter bevordering van de leesbaarheid even achterwege laat. Moet ik veel wandelen? Bezoeken we veel tempels? Wordt het warm vandaag? Heb ik nog schone sokken? Staat er te veel op het programma, zodat mijn siësta er bij in dreigt te schieten? Zijn mijn nagels geknipt en gevijld? Is mijn rug bestand tegen veel bukken? Waait het? Past stoffig bruin of stoffig blauw beter bij de kleur van mijn boxershort? Afhankelijk van de antwoorden wijst de vragenlijst één van beide paren schoeisel aan, waarbij de kleur van de boxershort van doorslaggevende aard is. Ze mogen in Bhutan niet gaan denken dat ik geen enkel gevoel voor mode heb.

De tempels zijn altijd gewijd aan een god. Voor mij lijken ze allemaal op elkaar, maar blijkbaar zit het in de kleine details. Als de god met zijn rechterhand de grond aan raakt, is het Boeddha zelf, omdat hij daarmee zijn wijsheid doorgeeft aan de aarde. Een lange sik wijst op Guru Rinpoche, ook wel de tweede Boeddha genoemd, maar de grondlegger van de natie Bhutan de Zhabdrung heeft ook een sik, maar iets minder lang. Daarnaast heeft elke god ook nog tig verschijningen variërend van goedgunstig tot erg kwaadaardig. Blijkbaar moet je er mee opgegroeid zijn, want slechts een enkele keer raad ik het goed, maar meestal volgt een terechtwijzing van Dorji. Dan had ik de Lonely Planet maar van buiten moeten leren. En als je denkt dat je alle goden van het Boeddhisme enigszins onder controle hebt, wat mij overigens nog steeds niet gelukt is, gooien ze je ook nog allerlei plaatselijke goden voor de voeten, die natuurlijk ook weer hun eigen vreemde trekjes hebben. Volgens mij is het makkelijker om het telefoonboek van Amsterdam uit het hoofd te leren. Daarom onthoud ik alleen mijn favoriet de lama Drukpa Kunley, die leefde in de tijd dat Colombus bezig was met nutteloze dingen als Amerika ontdekken. Drukpa kwam tot de conclusie dat “Redding door seks” het leidend thema van zijn wijsheden was. Enig eigen belang zal hier zeker ook aan te pas gekomen te zijn, want deze lama had de gewoonte om elke vrouw te verleiden, zelfs als zij de echtgenote van zijn gastheer was. Dan is het wel makkelijk om je achter het geloof te kunnen verschuilen. Toch heeft hij vele volgelingen, die herkenbaar zijn aan het fallussymbool dat op de muur van het huis geschilderd is of uit hout gesneden aan het dak is opgehangen. Misschien moet ik zijn wijze lessen maar eens introduceren in Staphorst? Het verhaal gaat dat hij ook het nationale dier van Bhutan, de Takin, heeft gecreëerd na een aardig bacchanaal. Zijn volgelingen vroegen om een wonder. Hij vroeg om hen eerst een koe en een geit te brengen. Als een echte Obelix ging hij te keer en binnen de kortste keren waren er alleen nog botten over. Daarop pakt hij de kop van de geit en schroefde die op de nek van de koe. Het resultaat is de Takin, een dier waar de hedendaagse biologen nog steeds geen plaatsje in de orde der dieren hebben kunnen vinden, wat niet verbazend is als je weet dat het dier door een dronken lama als een IKEA-pakket in elkaar geschroefd is. In ieder geval heeft Drukpa Kunley zijn bouwwerk ruim voor de kroning voltooid.

2 April 2008
By on 09:48
Rood potlood

“Het is hem!”, roep ik uit. In een flits schiet hij voorbij. Gezeten naast de bestuurder van de tegenligger kijk ik in het gezicht van Jigmi Thinley, de winnaar van de verkiezingen in Bhutan. Het gerucht hing de hele dag al in de lucht. De leider van Druk Phuensum Tshogpa (DPT) reist van zijn geboorteplaats in het oosten van het land naar de hoofdstad Thimphu. Volgens gids Dorji zou hij in het zelfde restaurant als wij lunchen. Rond dat restaurant hadden zich inderdaad vele supporters verzameld, allen herkenbaar aan een witte baseballpet met het logo van de partij, drie vliegende kraanvogels. De ontvangstruimte, waar normaal de souvenirs aan de toeristen worden aangeboden, is omgetoverd tot een troonzaal. Midden in een halve cirkel is de troon geplaatst, waar de eerste gekozen premier van Bhutan zal moeten plaats nemen. Overal door het restaurant lopen serveersters nerveus heen en weer. Er is nauwelijks aandacht voor de buitenlanders, die langskomen om de lunch te gebruiken. Men wacht op de eregast, waarvoor het hele terrein is opgefleurd met kleurige vlaggen en uitbundige bloempotten. Om de tijd te doden, worden de laatste vuiltjes van de stenen geveegd of maakt men een rondedans. Maar Jigmi Thinley laat op zich wachten. Hij arriveert niet om half één zoals aangekondigd. Om één uur is zijn troon nog steeds leeg. Wij besluiten om niet langer te wachten, want we moeten nog duizenden bochten naar Trongsa nemen. Tot ik na een half uurtje draaien en keren toch nog in zijn gezicht kijk. Ik zie drie rimpels op het voorhoofd, een gedistingeerde dunne snor en een gemillimeterde coupe, net als op de foto’s op de voorpagina van de kranten. Hij zal ruim anderhalf uur te laat op een lunchafspraak arriveren. De eerste belofte is al gebroken.

Twee dagen eerder zag ik de toespraak van Sangay Ngedup, de leider van de People’s Democratic Party (PDP) op TV. Deze partij heeft bij de verkiezingen twee dagen eerder in Bhutan een ongenadig pak op de broek gehad. Van de zevenenveertig zetels in de National Assembly wist de partij er maar drie – na hertelling nog maar twee, want een ambtenaar had 298 stemmen genoteerd, waar telefonisch doorgegeven was “Kandidaat 2, 98 stemmen” en het verschil was aanvankelijk maar vier stemmen tussen winst en verlies – te veroveren in het ‘winner takes all’ districtenstelsel. Ik ben vertederd door de stamelende verliezer. Het zijn de eerste verkiezingen ooit in dit bergstaatje en zowel politici als stemmers moeten duidelijk nog wennen aan de democratie. Meer dan een bedankje voor alle partijleden, die zo hard in de verkiezingsstrijd gewerkt hebben voor het succes van de partij, komt hij niet, hoewel hij niet vergeet dat hij de winnaar alle sterkte en wijsheid toewenst in het uitvoeren van het beleid. Pikant detail is de afkomst van de partijleider. Hij is de oom van de koning, die de macht nu aan het volk overdraagt. Een paar dagen later blijkt dat hij het vuile politieke handwerk al aardig beheerst, want hij verzoekt om een onderzoek, omdat in het weekend voor de verkiezingen wel erg veel stemmers overgelopen zouden zijn naar de andere partij. Suggereert hij hiermee vals spel? Ik krijg de indruk dat de mensen in de provincie gewoon het advies van de thuiskomende – en meestal meer succesvolle – familieleden uit Thimphu, de hoofdstad, hebben gevolgd, want de stemming daar was erg pro DPT.

“Dit is een grootste dag voor ons land”, is de ochtend begroeting van Dorji op de verkiezingsdag, 24 maart. Het land is in de ban van de primeur, hoewel eind 2007 al proefverkiezingen waren georganiseerd om de kiezers te laten oefenen met het democratische proces. Nu is het de eerste keer dat de Bhutanezen serieus hun stem kunnen uitbrengen op één van de twee kandidaten in hun kiesdistrict. Het enthousiasme herinnert me aan de eerste keer dat ik naar de stembus mocht. Weken van te voren de verkiezingsprogramma’s doorworstelen, toespraken van Wiegel en Den Uyl bijwonen en de kranten verslinden, behoorden alle tot de voorbereidingen. Ik zie mezelf gekleed met grijze broek, das en blazer overdonderd worden door het Sjosjalisties Orkest, dat een door iedereen in de zaal uit volle borst meegezongen Internationale van muziek voorzag. Op die avond wist ik zeker dat de PvdA nooit aangekruist zou worden op mijn stembiljet. Een partij, die hetzelfde strijdlied hanteert als een miljoenen andersdenkenden vermoordend regiem, is voor mij geen optie. Ik moet wel bekennen, dat ik blij ben dat het hedendaagse Rusland het volkslied uit de Sovjet tijd in ere heeft hersteld. Als we toch zonodig een nieuw volkslied moeten kiezen, neem dan een voorbeeld aan deze uiting van nationale kracht. Mij lopen de rillingen over de rug. Laat de Russen maar veel winnen op de Olympische Spelen.

De Bhutanezen, die je spreekt, zijn vol goede moed en hebben het volste vertrouwen in de politici. Ze reizen met plezier het hele land door naar hun geboorteplaats, waar de stem moet worden uitgebracht. Het is fijn dat de kiezers nog die onschuldige naïviteit hebben, die wij in het Westen al lang kwijt zijn. Wij weten dat eens in de vier jaar (in Bhutan vijf jaar) we overladen worden met beloften, maar dat we bij de volgende verkiezingen allang weer vergeten zijn dat meer dan de helft door zogenaamde gewijzigde omstandigheden of voor het behoud van de coalitie zonder problemen niet zijn nagekomen. Zo is een vijfenzestig jaar oude vrouw, Tshewang Dema, van Thimphu naar Pandang, haar geboorteplaats, gelopen over een afstand van ongeveer 600 kilometer. Ze deed er veertien dagen over en de uitrusting bestond uit een stevige wandelstok en een paar Bata slippers. Gevraagd naar haar reden om op deze manier terug te keren, meldt ze dat ze een hekel heeft aan autorijden, maar dat ze deze historische kans niet aan zich voorbij wilde laten gaan. Vier jaar geleden is ze met haar kinderen naar Thimphu gereden en ze werd door de vele bochten in de weg wagenziek. In hun haast om de hoofdstad te bereiken, weigerde het nageslacht om te stoppen, waardoor ze twee weken ziek op bed gelegen heeft. Toen heeft ze gezworen om nooit meer in een dergelijk vierwielig monster te stappen. Hoe leg je aan die vrouw uit, dat ik in een land woon waar op treinstations stemlokalen moeten worden ingericht omdat de forenzen anders hun stem niet gebruiken?

Als ik de kranten lees, is er toch een duiveltje, dat gelooft, dat de verkiezingsstrijd van boven geregisseerd wordt door de koning. Er zijn maar twee partijen, die programmatisch eigenlijk niet verschillen. Zowel de DPT als de PDP beloven dat ze het beleid van de vierde koning, bijgenaamd de visionaire koning, zullen voortzetten. Centraal in het beleid staat GNH (Bruto Nationaal Geluk). Bij het bepalen van het beleid is niet alleen het economische aspect belangrijk, maar ook het milieu en tevredenheid van de bevolking zijn zwaarwegende factoren. Waar in Nederland de politicus eigenlijk aan een cursus boekhouden voldoende denkt te hebben om beleid te maken, heeft de koning, de Druk Gyalpo, altijd een bredere visie uitgedragen. Economische ontwikkeling is nodig, maar niet ten koste van het milieu en de nationale identiteit. De grenzen gaan open, maar met mate. Dit concept zou in de westerse wereld met aandacht bekeken moeten worden, omdat juist wij een welvaartsniveau hebben, dat voor economische ontwikkeling een lagere prioriteit rechtvaardigt. Overigens heeft de nadruk op nationale identiteit wel een schaduwzijde. Veel Bhutanezen van Nepalese afkomst, die vaak al generaties in het zuiden woonden, zijn zonder pardon het land uitgegooid, omdat ze niet konden bewijzen dat zij of hun voorvaderen in 1958 in Bhutan woonden, waardoor in het oosten van Nepal nu grote vluchtelingenkampen zijn met mensen, die in beide landen niet welkom zijn. In 2001 hebben Nepal en Bhutan afgesproken, dat er serieus onderzoek naar de achtergrond van de vluchtelingen zal worden gedaan, maar door de instabiele politieke situatie in Nepal – maoïstische opstandelingen, afgezette koning – is dit proces nog niet in gang gezet. Het gevolg is dat naar alle waarschijnlijkheid opstandige Lhotshampa, de politiek correcte naam voor deze bevolkingsgroep, in het zuiden van het land tijdens de verkiezingstijd enkele bomaanslagen hebben gepleegd. Hierbij zijn enkele lichtgewonden gevallen.

Het verschil tussen beide partijen zit in ervaring. De oude ministerraad bevatte zeven leden, die nu verkiesbaar zijn. De twee jongste stonden kandidaat voor de verliezende PDP, terwijl de vijf meest ervaren ministers de winnende DPT vertegenwoordigden. Het Bhutanese volk heeft duidelijk gekozen voor continuïteit. Dit is een bewijs voor meest rare aspect van deze verkiezingen. Ze zijn opgedrongen door de vierde koning. Hij vond het tijd voor democratie, waarbij zijn zoon, de vijfde koning bijgenaamd de koning van het volk, de rol van adviseur op zich neemt, als hij ergens in de zomer van dit jaar officieel gekroond wordt. De overdracht van de macht lijkt geruisloos te gaan, omdat in werkelijkheid dezelfde mensen het beleid blijven bepalen, waarbij alleen de koning meer op de achtergrond blijft. Veel mensen die je spreekt vinden het wel goed zo, want wat de koning deed was goed in de ogen van de Bhutanezen. Enige kritiek op zijn beleid is niet te horen. Het is juist de koning, die voorzag dat er wel eens een slechte koning zou kunnen komen, waardoor in Bhutan hetzelfde zou kunnen gebeuren als bijvoorbeeld in Nepal. Of het te vroeg is voor democratie is, moet de toekomst uitwijzen, maar ik heb de Bhutanezen leren kennen als een bedachtzaam en rustig volk, dat zich niet door de dagelijks hype van de wijs laat brengen. Volgens het Algemeen Dagblad moet de winnende partij DPT de drie grootste problemen oplossen: armoede, drugsgebruik en criminaliteit. Toen ik deze analyse voorlegde aan enkele Bhutanezen, inclusief een hoge politieambtenaar, zag ik voor het eerst een boze reactie. Armoede is er, maar de twee andere problemen zijn volstrekt niet aan de orde. Zelf heb ik ook geen aanwijzingen gezien, die de stelling van een correspondent uit New Dehli onderschrijven. Allen zijn zeer teleurgesteld in de berichtgeving, die ik hen voorleg. Dat betekent dat de nieuwe premier het makkelijk heeft. Alleen even de armoede oplossen. Ik hoop dat ik over vijf jaar kan zeggen, dat ik een goede premier in een flits voorbij zag rijden.


By on 09:42
Alle hulp is welkom

Op de achtergrond hoor ik een oude vrouw haar gebeden prevelen. De houten vloer kraakt als ik mijn gewicht verplaats van de ene naar de andere voet. De kleine ruimte, niet meer dan drie bij vier meter, is gevuld met de geur van de boterlamp. Voor me zie ik een meer dan manshoog beeld van Guru Rinpoche, de grondlegger van het boeddhisme in Bhutan, omringd door een stralenkrans van rode vlammen en gezeten op een tijger. De Guru heeft een angstaanjagend gezicht, want in deze verschijning jaagt hij demonen op de vlucht. Op het altaar voor het beeld liggen offers, die variëren van geld tot zakjes chips, van een blikje Coca-Cola Light tot een gouden ring, van fruit tot cashew noten. “Wens met heel je hart en je wens zal vervuld worden”, zegt gids Dorji tegen me. Mijn liefste wens stuitert door mijn hoofd, mijn hart klopt van verwachting. Als ik het briefje van tien ngultrum, ongeveer vijftien eurocent, volgens plaatselijk gebruik tegen mijn voorhoofd houd, voel ik me eerst geweldig zenuwachtig, bijna trillend, maar daarna daalt een enorme rust over me heen. Ik leg het bankbiljet in het offermandje en ik voel dat mijn wens vervuld zal worden. De in donkerrood gewaad geklede monnik giet wat water in mijn rechterhand. Ik breng de hand naar mijn mond en proef de saffraan. Het restant smeer ik over mijn voorhoofd en haren. Nu is mijn wens gezegend.

Taktshang, dat nest van de tijger betekent, is één van de meest heilige plaatsen in Bhutan, maar het complex van tempels is vooral beroemd door zijn ligging. Tegen de rotswand geklemd en bovenop een loodrechte afgrond, die negenhonderd meter dieper in het bos verdwijnt, zou dit de droom van elke basejumper zijn. Helaas voor deze adrenaline junkies moeten alle tassen, camera’s en mobieltjes bij de poort ingeleverd worden. Om bij dit op 3.140 meter hoogte gelegen heiligdom te komen, moet ik eerst ongeveer twee uur via een stoffig voetpad ongeveer 600 meter hoogteverschil overbruggen. Bij het begin van de wandeling heb je de mogelijkheid om een muilezel te huren, die je het eerste deel van de klim uit handen neemt. Ik loop liever tussen de vechtende honden en de ezelsdrollen door het dennenbos in, waar de grond bezaaid is met, hoe verrassend, dennenappels en dennennaalden. Het pad loopt al aardig omhoog, maar we houden een erg rustig tempo aan, waardoor het zonder problemen vol te houden is. In de verte hoor ik stromend water, hier en daar wordt het bruin en groen opgefleurd door het rood of roze van de rododendron en hoentjes ritselen door het struikgewas. Het is de stilte voor de storm.

Het echte klimmen begint na een paar gebedswielen, die door water aangedreven worden. Na elke ronde klinkt een bel en de regio heeft weer duizend bonuspunten verdiend. Het pad loopt direct stijl omhoog en ik word aangemoedigd door een bord: “Loop naar Guru’s glorie! Neem herinneringen mee terug van een koninkrijk, want hier in dit koninkrijk regeert een niet te evenaren goedgunstige koning.” Ik vraag me af, wanneer die koning een stoeltjeslift laat bouwen. Hoewel ik al aardig zwaar begin te ademen, zie ik het nest niet dichterbij komen. Toch klimmen we steeds hoger, want als ik sta uit te rusten op een panoramapunt vraagt Dorji: “Zin om te paragliden?” Ik antwoord dat ik nog geen zin heb om dood te gaan. “Wacht maar tot je getrouwd bent”, reageert chauffeur Elbi, die deze keer niet bij de auto is gebleven. Bij elke stap kom ik dichterbij het doel. Tot mijn verbazing gaat het redelijk eenvoudig. Ik heb geen last van de hoogte, maar ik verblijf dan ook al drie dagen in Bhutan, waardoor ik blijkbaar goed geacclimatiseerd ben. Om het harde werken te verzachten, klinkt vanuit de mobiele telefoon van Dorji muziek als Sultans Of Swing van Dire Straits en You’re Beautiful van James Blunt. Bij dat laatste nummer maakt Dorji de opmerking “Dit liedje is op jou van toepassing”, omdat ik een dag eerder bij het diner hem bijgepraat had over mijn vruchteloze pogingen op het gebied van de liefde. Ineens realiseer ik me dat deze tocht meer is dan een wandeling naar een toeristische attractie. Deze tocht bergop loopt parallel met mijn leven. Ik loop niet langer alleen naar een spectaculair gelegen klooster, dat onbereikbaar lijkt, maar ook naar een prachtig gezicht met stralende blauwe ogen en een verlegen, soms spottende glimlach, dat net zo onbereikbaar lijkt. Zoals een gelovig boeddhist met het klooster voel ik met haar een spirituele verbondenheid, waarbij om het einddoel te bereiken eerst een lange zware klim bergopwaarts vereist is.

Het lopen gaat me ineens veel makkelijker af. Dorji en Elbi vragen me een paar keer om het even rustig aan te doen, maar ik heb moeite mijn geduld te bewaren. Ik wil haar zien. Tot geluk van mijn begeleiders komen we na ruim een uur lopen en klimmen aan bij het cafetaria. Deze door het Ministerie voor Toerisme gebouwde horeca-gelegenheid ligt ongeveer halverwege de klim. Nippend aan een kop thee kijk ik naar Taktshang. Ik bewonder de ongenaakbare ligging nog steeds honderden meters boven me. Ik verbaas me over de volhardendheid waarmee de bouwers te werk moeten zijn gegaan. Op 19 april 1998 is het hele complex uitgebrand, waarbij brandstichting niet uitgesloten is. De schok werd tot ver buiten de grenzen van Bhutan gevoeld, waardoor de regering direct besloot om aan de hand van foto’s de tempels te herbouwen. Vanaf april 2000 is elke steen, elke spijker, elke houten balk, al het bouwmateriaal door dragers aangevoerd over het zelfde pad, waar ik nu nog maar de helft van afgelegd heb. In 2005 is het nest van de tijger opnieuw ingewijd. Na een pauze van 25 minuten is het tijd om het laatste deel af te leggen, dat eerst omhoog voert tot boven het eindpunt van de wandeling, waarbij we de grot passeren, waarin de 69ste Je Khenpo – de vorige oppermonnik van Bhutan – geboren is tijdens een pelgrimage van zijn moeder. Daarna volgt een steile en zeer welkome afdaling naar een brug over een bron. Het verhaal gaat dat deze waterbron ontstaan is, omdat één van de vrouwen van Guru Rinpoche haar rozenkrans op die plaats tegen de rotsen heeft gegooid. Spontaan begon het water te stromen. Dit deel van het pad vangt bijna nooit zon op, waardoor er nog grote sneeuwblokken liggen, die samen met de straffe wind voor flinke verkoeling zorgen. Okay, het is ijskoud. Nu volgt een laatste klim, waarna we het nest van de tijger hebben bereikt. Na gefouilleerd te zijn alsof ik een wedstrijd van Ajax bezoek, moet ik nog een laatste trap van een meter of zes hoog beklimmen. Als ik me de treden opgehesen heb, voel ik me geweldig. Hoewel de weg er naar toe soms te moeilijk, te zwaar leek – de wens om een stoeltjeslift bleef rondtollen in mijn hoofd –, perioden van optimisme en pessimisme zich afwisselden met de snelheid waarmee Wouter Bos van mening verandert, is het doel bereikt. Het is tijd om het offer te brengen, want een hartenwens moet uitkomen.

Taktshang dankt zijn naam aan de manier, waarop Guru Rinpoche zich verplaatste. In de verschijning Pema Jungme – hiervoor beschreven met stralenkrans van rode vlammen – vloog hij op de rug van een tijger naar de plaats van het klooster, waar hij de plaatselijke demon Singey Samdrup versloeg. Na gedane arbeid mediteerde hij drie maanden in de grot, waar ik mijn tien ngultrum voor persoonlijk gewin afgeef. Na nog twee andere tempels bezocht te hebben, waarbij een beeld met een parende oervader, die de kennis bezit, en oermoeder, die de wijsheid bezit, indruk maakt, vooral door de realistische weergave van de benodigde genitaliën. Ik hoop wel dat ik de eerstvolgende keer geen slangen en doodshoofden op weg naar het hoogtepunt tegen kom. Het is hoog tijd om weer af te dalen, wat vlotter gaat dan de weg naar boven. Als ik op één van de vele panoramapunten nog eens de unieke ligging van het klooster bewonder, zegt Dorji: “ Jammer dat je je eigen camera niet hebt”. “Ach, dan moet ik nog eens terugkomen”, antwoord ik. “Neem dan wel je vriendin mee”, beveelt Dorji me. Ik beloof hem, dat als mijn wens uitkomt, ik de prachtige klim naar het nest van de tijger met haar zal maken. “Tot de volgende keer”, is zijn korte commentaar. Ik ben ontroerd door zijn rotsvaste geloof in Guru Rinpoche.

26 March 2008
By on 12:36
Bhutanezen vieren feest

Het is koud. Het is donker. Het is iets over vijf uur ’s ochtends. Om mij heen drommen de mensen samen. Op het festivalterrein is het met grote granieten stenen betegelde plein, waar de dansen opgevoerd worden, veranderd in een klooster. Twee dubbele rijen monniken tegenover elkaar gezeten in lotushouding en gekleed in bordeaux rode of okergele gewaden prevelen hun gebeden, waardoor het lijkt of duizenden bijen rond zoemen. Hun gezichten worden vaag verlicht door de honderden boterlampen, die op en voor het altaar geplaatst zijn. Opgewonden staan de mensen in hun beste kleren in de rij, buik tegen rug, waarop soms een kind in een doek gewikkeld in de verdrukking dreigt te raken. Het geroezemoes van verwachting overstijgt vaak de gebeden van de monniken. De rij kronkelt over het festivalterrein als het lint van een ritmische gymnast. Een man bidt. Hij gaat op zijn knieën zitten, hij buigt tot hij met zijn voorhoofd de grond raakt, daarna gaat hij staan en raakt met zijn handen, de handpalmen vroom tegen elkaar, zijn voorhoofd, mond en borst om vervolgens alle handelingen in dezelfde volgorde vele malen te herhalen. Zijn gezicht is gericht naar de oorzaak van deze volksoploop, de thondrol van Guru Rinpoche, het hoogtepunt van de Paro tshechu, het festival van Paro.

Guru Rinpoche is een belangrijke figuur in de geschiedenis in Bhutan, waar hij arriveerde als Padmasambhava, wat de echte naam is van deze heilige, die in Swat – gelegen in het huidige Pakistan – geboren is. In Bhutan, net als in Tibet, gebruikt men echter zijn bijnaam, die ‘Dierbare Meester’ betekent. Hij kwam op verzoek van één van de secretarissen van de koning Sendha Gyab van de regio Bumthang, die door een onhandigheidje – ontheilig nooit de woonplaats van de belangrijkste plaatselijke god! – onder een altijd donkere hemel leefde, waarbij de levenskracht van de koning langzaam wegvloeide. De Guru repareerde dit hobbeltje met een dansje en een stevig onderhoud met de kwade god en trouwde en passant nog even de dochter van de koning, die hij ook nog in vijf verschillende prinsessen wist te splitsen. Ik zie hier een script voor de volgende soap van Endemol. Elke plaats die de Guru bezocht, is voor de Bhutanezen een bedevaartsoord. In bijna elke tempel wordt minstens één van zijn acht verschijningen aanbeden. Deze verering heeft hij te danken aan zijn betekenis voor het land, want hij introduceerde na zijn akkefietje in Bumthang het boeddhisme in Bhutan. 

De thondrol van Paro is een gigantische thangka, een geborduurd wandkleed met afbeeldingen van Guru Rinpoche en zijn acht verschijningen. Het vierkante kleed is opgehangen aan een gebouw van 18 meter hoog en breed, dat helemaal achter het doek verdwijnt. Alleen het zien al van het doek bevrijd je van alle zonden. Het aanraken met het voorhoofd laat de diepste wensen uitkomen. Het is dus geen wonder dat zo vroeg op de morgen zoveel mensen op de been zijn om getuige te zijn van dit kunstwerk. De rij om het doek te kunnen beroeren wordt steeds langer, waardoor ik me afvraag of iedereen wel aan de beurt komt voor de vervulling van hun wensen, want om acht uur wordt de thondrol weer voor een jaar opgeborgen. De acht verschijningen hebben prachtige namen als ‘Bevrijde diamant-bliksem’, ‘Diamant-bliksem geboren vanuit een meer’, ‘Hij die wenst om bovenaardse kennis te verkrijgen’ of “Hij met de leeuwenstem’. Dat is wat anders dan Jan Bos of Jaap Stam. Elke naam verdiende de Guru terwijl hij ergens in de wereld weer eens een lastige demon op zijn plaats zette of ander ongemak weerstond. Ik zie steeds meer een script voor de volgende soap van Endemol.

Ik heb het geluk om de laatste dag van het festival van Paro mee te maken. Na de vertoning van de thondrol, is de rest van de dag een feest van dans en samenzijn. Overal hangen groepjes jongens rond, die al giechelend de omgeving afspeuren op zoek naar vrouwelijk schoon. De dames zijn zich daar zeer goed van bewust en hebben hun mooiste kleren aangetrokken. De kira is een uit drie doeken bestaande jurk met daaroverheen een jasje, beide van zijde in felle kleuren, met prachtige ingewikkelde patronen erop geborduurd of erin geweven. Behangen met sieraden, vaak van zilver, en kralenkettingen in alle kleuren van de regenboog giechelen de dames net zo hard als ze merken dat ze onderwerp van belangstelling zijn. Ondertussen spelen de jongetjes, die de puberteit nog niet bereikt hebben, met plastic speelgoedgeweertjes. Ze schieten op alles dat beweegt en waarvan ze weten dat ze geen draai om de oren zullen krijgen. De alom aanwezige honden zijn dus een dankbaar doelwit. De jongetjes rennen tussen de kleden door, waarop families samenkomen om te genieten van de dansen en elkaars gezelschap onder het genot van thee en meegebracht proviand, zoals fruit, rijst, maar vooral de betelnoot met limoen, waardoor menigeen rondloopt met rode tanden. Overal op het festivalterrein zie je uitgespuugd rood speeksel van deze plaatselijke lekkernij. Ik waag me er niet aan, want naar verluid loop je na het kauwen op dit goedje dagen rond met een half verlamde tong. Dat lijkt me niet handig op een huwelijksmarkt. De tshechu is het jaarlijkse hoogtepunt van de regio. Het is te vergelijken met de kermis in Noord-Holland of het carnaval in de Generaliteitslanden. Hoewel religieus van aard is het samenzijn met familie en vrienden ook een belangrijke reden om te verschijnen soms na een jaar afzondering in één van de omringende valleien. Ik weet nu zeker dat er een script voor de nieuwste soap van Endemol inzit.

Door al die pracht vergeet ik de ergernissen van de afgelopen dagen. Mijn camera heeft de vlucht van Kathmandu naar Paro door de turbulentie, vermoed ik, niet overleefd. Als ik hem aanzet, giert het apparaat als het ademen van een oude man, die vanaf zijn vijftiende een pakje sigaretten per dag gerookt heeft. Nu loop ik rond met een leencameraatje en sta ik foto’s van een schermpje te maken als de eerste de beste sullige toerist. Ik zie prachtige beelden langskomen en ik weet dat ik er niet meer dan snapshots kan maken. Met dit gevalletje is het onmogelijk om de juiste belichting in te stellen. Ik ben afhankelijk van een door japanners gemaakte computerchip. Die legt alles van voor tot achter scherp vast (als de autofocus tenminste zijn werk naar behoren verricht), heeft een hekel aan beweging en heeft de nare gewoonte alles net iets over te belichten of de verkeerde witbalans te kiezen. In ieder geval een goede smoes om nog eens terug te komen. Daarnaast was de eerste nacht geen pretje. De kamer had geen verwarming en ik had het ondanks mijn natuurlijke isolatielaag ijskoud, want ’s nachts daalt het kwik hier tot rond het vriespunt en isolatie of dubbele glazen komen nog niet voor in het Bhutanese woordenboek. Als ik ’s ochtends probeer op te warmen onder de douche, blijkt men de doucheslang ingenieus in een Gordiaanse knoop gelegd te hebben, waardoor ik diep gehurkt een pisstraaltje over mijn machtige lichaam voel druppelen. Gelukkig kan het altijd erger. Je zal maar zo hersendood zijn als de Amerikaanse toerist, die op het vliegveld van Kathmandu vijf keer in zijn mobiele telefoon de volgende tekst blèrt: “Matty, waar ben je? Ik ben hier!”. Zou hij zich als stemmer geregistreerd hebben? Moge zijn beltegoed en stemgedrag voor altijd nihil zijn.


By on 12:16
Raak me dan!

Ze hadden me nog zo gewaarschuwd. “Rijd niet te langzaam!” Ik had een paar keer in ondeugende jongensogen gekeken met een waag-het-niet-te-gooien-want-dan-gaat-deze-hele-grote-Hollander-met-het-volle-gewicht-op-je-zitten blik en daarmee is verder onheil voorkomen. Maar je hebt je ogen ook nodig voor het chaotische verkeer in Kathmandu. Met een zere keel door de ingeademde uitlaatgassen – motors zijn iets minder efficiënt afgesteld dan in Nederland – en het ronddwarrelende stof, moet ik letten op riksjas, die zonder waarschuwing van of naar de stoeprand zwenken, kleine taxi’s, die met groot genoegen alle verkeersregels volkomen aan de laars lappen, bussen, die zonder problemen het recht van de sterkste uitoefenen, en voetgangers, die vertrouwen op de reactiesnelheid van de overige verkeersdeelnemers. Daarnaast moet ik in die krioelende mierenhoop ook nog een gaatje vinden, waar ik mijn fiets door kan wurmen op weg van de stoepa van Bodhnath. Deze keer zag ik de ettertjes over het hoofd, terwijl ik iets te langzaam op de pedalen duwde, en ze troffen me vol. Ik een nat pak, zij de grootste lol. Zelf vind ik het raken van een doel van mijn grootte geen wereldprestatie, maar die jochies denken daar duidelijk anders over.

Het is weer de tijd van Holi. Dit festival van de kleur wordt meestal in de maand maart, soms eind februari, soms begin april gehouden en duurt een week. Op het Basantapurplein, waaraan het oude koninklijk paleis in het hartje van Kathmandu ligt, begint het feest met het oprichten van de chir, een houten bamboepaal met in de top een ring waaraan vele gekleurde repen stof hangen. De god Krishna had een ondeugend kantje. Het verhaal gaat dat hij zo ongelooflijk knap – zeer herkenbaar – was, dat hij alle plaatselijke melkmeisjes of gopis tegelijkertijd versierde. Ze dansten met hem en toen ze helemaal in zijn ban waren, vond hij het tijd voor een geintje, wat geen vreemd gedrag is voor de gemiddelde man. Hij lokte ze het gekleurde water van de rivier Yamuna in en tijdens het baden stal hij de kleren en hing ze hoog in de boom. Alleen als de gopis naakt voor hem verschenen, kregen ze de kleren terug. God zijn is wel makkelijk, want een gewone burger zou gelijk een rechtszaak wegens seksuele intimidatie aan de broek hebben hangen. De wimpels in de top van de chir stellen de kleren van de meisjes voor, die in de boom hangen. Gedurende een week bestoken jongeren elkaar, meestal jongens tegen meisjes, met water gevulde plastic zakjes. Ook toeristen zijn een geliefd doelwit, hoewel de werpers dan meestal voor de aanval in de rug of vanaf een dakterras kiezen. Vaak zie je het strijdperk ver van te voren aankomen, want de straat ligt bezaaid met lege gescheurde zakjes en de meest recente aanvallen zijn nog zichtbaar door een stervormige natte vlek op het stoffige wegdek. Maar soms word je verrast, wat een nat pak oplevert. Op de laatste dag, bij volle maan, kan je maar beter binnen blijven of hele oude kleren aantrekken, want dan wordt ook nog kleurstof aan het water toegevoegd. Sommige toeristen storten zich vol overgave in de strijd en na een dag, die begon in witte kleding, wandelen ze als levende regenbogen rond. Met het verbranden van de chir eindigt het festival en de constante paranoia uit welke hoek nu weer de aanval wordt ingezet, kan weer voor een jaar opgeborgen worden.

De toestand in Tibet blijft ook in Nepal het dagelijks leven beïnvloeden. In het hotel sprak ik een Schot, die daar verbleef ter voorbereiding van het klimseizoen op de Mount Everest, zoals ongetwijfeld bekend de hoogste berg ter wereld. Hij heeft bij zijn derde poging twee jaar geleden op de top gestaan met een door hem zelf ontwikkeld zuurstofmasker. Dit apparaat is zo vernieuwend dat het grootste deel van de expedities dit jaar er gebruik van gaat maken. Hierbij moet vooropgesteld worden, dat de expedities doorgaan. De kans is aanwezig dat dit jaar Nepal geen vergunningen afgeeft op verzoek – onder druk zou een betere verwoording zijn – van China. De beslissing is voorlopig over de verkiezingen van tien april getild. Ter meerdere eer en glorie van de volgevreten partijbonzen aan het Plein van de Hemelse Vrede moet de Olympische Spelen een grote reclamefilm worden. Daarom heeft men het idee opgevat om de olympische vlam ook naar de top van Mount Everest te brengen vanaf de Chinese – excuus, ik bedoel Tibetaanse – zijde. Tijdens de opening wordt dan een verslag van ongeveer een minuutje getoond. Het moge duidelijk zijn dat de top dan niet ontsierd mag worden door bijvoorbeeld een Tibetaanse vlag of teksten, die het moorddadige regiem van de communisten aan de kaak stellen. Daarom wil men geen pottenkijkers op 8.848 meter. Dat daardoor aan Nepalese zijde hele dorpen een jaar zonder inkomen zitten, omdat de inwoners zich verhuren als drager en gids, is het offer dat gebracht moet worden, zodat wij ons kunnen laten vermaken door een gelikte Tv-uitzending. Lang leve de kijkcijfers!

Fietsen door Kathmandu is een feest. Het is net een spelletje op de computer. De bedoeling is om zo snel mogelijk van A naar B te komen, terwijl je allerlei obstakels en tegenstanders moet voorblijven. Het is als dansen tussen een losgeslagen bende hooligans. De kleine witte taxi’s, meestal het kleinste formaat Suzuki, zijn geen echte uitdaging. Eén blik naar de chauffeur, waarin oorlogszucht ligt besloten, is voldoende om hem het rempedaal te laten gebruiken waar het voor ontworpen is. Een stapje lastiger zijn de riksja’s, want die hebben geen achteruitkijkspiegel en even kijken of de kust vrij is, is een gedragsregel, die deze noeste fietsers nog lang niet onder de knie hebben. De bussen en vrachtwagens zijn levensgevaarlijk. Overtuigd van hun superieure gewicht storen ze zich niet aan een fietser. Je zorgt maar dat je uit de buurt blijft. Juist daarom geeft het zo veel genoegen om zo’n gevaarte rechts te passeren en vervolgens voorlangs te schieten en zijn voorganger links te passeren. Hoe meer getoeter je veroorzaakt, hoe meer je eer van je rijgedrag hebt. Verder is de staat van het wegdek ook vaak een complicerende factor. Een gat in de weg is niet te vinden, maar een stuk weg tussen de gaten kan je stevig uit balans brengen. Afvoergaten naar het riool worden niet altijd afgesloten door een deksel. Uit eigen ervaring kan ik zeggen, dat de ruimte tussen de spijlen van het traliewerk net breed genoeg is om een voorband te laten passeren. Het is een zeer prettige ervaring om midden op een erg druk kruispunt vast te zitten terwijl van minimaal vijf kanten bewegende voorwerpen met net iets te grote snelheid op je af komen. Mijn alvleesklier is in uitstekende vorm, want de golven adrenaline, die door mijn lichaam rollen, zijn groter dan tsunamies op Tweede Kerstdag. Het was bijna game over, maar een ervaring met de tramrails in Amsterdam had me genoeg voorbereid om net weg te duiken voor de man met de zeis. Ik kan niet wachten tot ik over een paar weken aan the next level kan beginnen. Ik ben benieuwd of ze me dan kunnen raken. Ik ga voor de high score.

23 March 2008
By on 11:21
Achter het raam

Afwezig, verveeld kijkt de blaag van een jaar of elf in haar scharlaken gewaad met gouden oorversieringen vanaf een raam op de tweede verdieping over ons heen. Ze kijkt niemand aan van de tientallen toeristen, die zich op de kleine patio onder haar verzameld hebben, maar ze richt haar blik op één van de vier hoeken. Haar donkere ogen staan dof en aan haar hele houding zie je dat ze haar dagelijkse verschijning om ongeveer vier uur ’s middags voor het met prachtig houtsnijwerk omringde raam als een geestdodend karweitje beschouwt. Tien seconden na haar geluidloze verschijning zet ze een paar passen achteruit, waardoor ze in het duister achter haar verdwijnt. In een hoekje van de kleine patio bekijk ik het schouwspel met een cynische glimlach om de lippen. De toeristen hebben hun showtje weer gehad. “Op de foto ziet ze er slanker uit”, hoor ik Susanne naast me de voorstelling kernachtig samenvatten. De houten luiken worden door twee oude begeleiders gesloten en iedereen gaat weer over tot de orde van de dag.

De Kumari is voor mij een ongeïnteresseerde puber, maar voor de Nepali is het een levende godin. In haar lichaam huist de geest van Taleju, een incarnatie van de godin Durga. Een traan van dit jonge meisje zou overstromingen kunnen veroorzaken. Een frons van haar wenkbrauw houdt de regen tegen. Er bestaat zelfs een verhaal, dat één van haar voorgangsters in slaap is gevallen bij een audiëntie van de koning, die daardoor ter plekke gestorven is. Kumari word je dus niet zomaar. Er zijn vele strenge eisen. Om te beginnen moet ze behoren tot de Shakya clan, een kleine groep van goudsmeden. Vervolgens moet het meisje – dan meestal drie of vier jaar oud – voldoen aan 32 kenmerken van lichamelijke perfectie, lachchins genoemd,  zoals een vlekkeloze huid, zwarte ogen en haren, een lichaam als een Banyan vijgeboom, dijen als die van een hert, een nek als een ronde schelp en als klap op de vuurpijl in het bezit zijn van een kleine en vochtige tong. Marijke Hellwegen heeft dus nog 33 operaties te gaan. Dat de familie achtergrond zonder een smetje op het blazoen moet zijn, spreekt bijna voor zich. Ook haar horoscoop moet gelijk zijn aan die van de koning, maar ik vermoed dat deze eis in het huidige politieke klimaat komt te vervallen, want een nieuwe Kumari wordt in een republiek gezocht. Het lot van de koning is op dit moment onzeker, maar hij komt in ieder geval niet voor bij de eerste veertig miljoen in de lijst van meest populaire Nepali.

De meest opwindende test is gereserveerd voor liefhebbers van Stephen King of Dracula. Omdat Taleju verzot is op bloed, mag de Kumari niet afgeschrikt worden door een bloedbad. Daarom wordt de kandidate een kamer ingeduwd waar 108 onthoofde buffalo’s – een soort koe met Nepalees bloed in de aderen – in een bad van bloed opgestapeld zijn. Tegelijkertijd dansen mannen met vreselijke maskers rond om het arme kind schrik aan te jagen. Voor de geïnteresseerden: nu weet je waar Geert Wilders in zijn vrije tijd zijn medewerking aan verleent. Als ze schreeuwt, flauw valt of een ander teken van hysterie vertoont, zoals het meezingen met Frans Bauer of het aanschuiven bij een door Rita Verdonk georganiseerd banket, is ze onmiddellijk gediskwalificeerd en wordt een volgende kandidate naar voren geschoven. Als alle testen zijn doorstaan, volgen een aantal geheime rituelen, die de geest van Taleju een beschermd huis in het lichaam van de Kumari geeft.

Voor het meisje begint daarna een leven dat mij als een gruwel in de oren klinkt. Er zijn altijd een paar bedienden in de buurt, zodat tranen van heimwee in de kiem gesmoord kunnen worden. Bijna dagelijks moet ze uren achtereen onbeweeglijk zitten, terwijl gelovigen, vaak  patiënten met bloedgerelateerde problemen, haar hun hoop en problemen voorleggen, daarbij speurend naar een teken. Als ze lacht, huilt of in haar ogen wrijft, zorg dan maar dat je een goede ziektekosten verzekering hebt, want een ernstige ziekte ligt om de hoek. Als ze trilt, kan je uitzicht tot tralies beperkt worden. Klapt ze in haar handen, dan is angst voor de koning op zijn plaats, maar dat zal nu wel de minister-president of de Nepalese Jan Smit worden. Neemt ze wat van het aangeboden voedsel, zal je geld verliezen. Zorg dus dat je Hollandse pot aanbiedt. Blijft ze echter onbeweeglijk en stoïcijns, dan gaat het de goede kant met de gelovige op. ‘De Neus’ Holleeder heeft daar blijkbaar een aardig showtje veroorzaakt. Het kind moet bij zijn bezoek minimaal een epileptische aanval hebben gehad, waarna ze bijna gestikt is in een lachbui om vervolgens de familiezak M&M’s tot de bodem leeg te snoepen. Verder leeft het meisje in afzondering, waarbij ze bijna nooit buiten komt, want er mag geen druppeltje bloed vloeien door een sneetje of wondje. Op dat moment verlaat Taleju’s geest haar lichaam. Een uurtje ravotten op de binnenplaats zit er dus niet in. Bij de eerste menstruatie is het feest echt voorbij. De heerschappij van de Kumari is ten einde gekomen en de opvolgster wordt gezocht. Voor de oude Kumari blijft een leven in eenzaamheid over want het Nepalese volk is er van overtuigd dat de echtgenoot vroeg binnen zes maanden na het huwelijk aan zijn eind komt. Mannen staan dus niet te trappelen in rotten van drie om haar het hof te maken.

Mijn cynische houding wordt voor een deel verklaard door de zich zelfbenoemde gids bij het paleis van de Kumari. Allereerst sprak hij me aan alsof ik Amerikaan was. Op dit moment beschouw ik dat als een grove belediging, want het huidige opperhoofd getuigt van een groot gebrek aan gezond verstand, zowel bij W. zelf als bij de geestelijk minder begaafden, die hem na vier jaar wanprestatie hebben herkozen. Maar normaal is in Nepal een “no”, vergezeld van een vriendelijke glimlach meer dan voldoende om een gids naar een andere prooi te laten speuren. Dit was echter een vasthoudend mannetje. Hij bleef Susanne en mij lastig vallen met het aanbod om het verhaal van de Kumari uit te leggen. In steeds minder vriendelijke varianten probeerden we deze lastige vlieg van ons af te slaan. “Als een vrouw nee zegt, bedoelt ze ja”, kraamt deze potentiële verkrachter uit tegen Susanne. Ineens zegt hij: “Ik haat Nepalezen”, waardoor wij direct wilden weten waar hij vandaan kwam. “Afghanistan”, was zijn antwoord. “Dat verklaart waarom je zo moeilijk kwijt te raken bent”, is ons antwoord. Als blijkt dat wij uit Nederland komen, is zijn volgende uitspraak “Ik hou van de Taliban”. Het is duidelijk dat Wilders ons niet echt helpt om vrienden te maken, maar in dit geval heb ik er geen enkel probleem mee om definitief afscheid te nemen van dit stuk menselijk vuilnis. Gelukkig komt Susanne met de suggestie om de toeristenpolitie er maar bij te halen. Blijkbaar is deze liefhebber van het extreme moslim regiem ineens minder geïnteresseerd om zijn praatjes aan ons te verkopen. Op de weg naar huis komen de vragen op, die gesteld hadden moeten worden: Waarom ben je hier en niet in Uruzgan? Waarom draag je westerse kleding? Wat maakt jou specialist in het Nepalese hindoe-geloof? Het gevolg van deze onaangename woordenwisseling is wel dat ik naar de Kumari net zo afwezig en verveeld terugkijk.


By on 11:17
Begin van het rumoer

“Daar heb je hem ook weer. Het toeristenseizoen is begonnen”, hoor ik achter me als ik in de rij sta voor de flappentap om in Thamel, de toeristenwijk van Kathmandu, mijn eerste roepies uit de muur te trekken. Geërgerd door het trage tempo van de toerist voor me om een alledaagse handeling uit te voeren, draai ik me om om de spreker op niet mis te verstane wijze duidelijk te maken, dat ik souvenirshops, ‘Friet bij Piet’en Torremolinos verafschuw. Ik zie dan dat Arno niet op mij doelt, maar dat hij naar de bedelaar kijkt drie treden lager onder aan het bordes. Nog geen volle vuilniszak hoog zit hij in een houten karretje dat niet meer is dan een fruitkistje waarin een paar jaar geleden vijf kilo sinasappelen werd aangeboden. Iemand heeft de moeite genomen om er vier gammele wieltjes ter grootte van een bierviltje onder te monteren, zodat de in gescheurde lompen geklede man zich enigszins kan verplaatsen. Ergens in de loop van zijn leven heeft hij beide benen verloren. Een donker bruin gezicht met een grijze gloed door het aangekoekte vuil, dat meer rimpels telt dan de onzinnige moties van de Partij voor de Dieren in de Tweede Kamer, kijkt me aan met een blik die mij moet verleiden tot het geven van een bijdrage in zijn levensonderhoud. Ik bewonder zijn optimisme, want de ATM spuwt alleen maar coupures uit van duizend roepies, ongeveer tien euro, zelfs in Nederland net iets te veel om aan een bedelaar te geven, hier een boven gemiddeld week inkomen. Hoewel het zonnetje schijnt, de temperatuur zich aangenaam tussen de 20 en 25 graden Celsius beweegt en ik in het gezelschap ben van twee zeer goede vrienden, is er geen haar op mijn hoofd, die er aan denkt om hem de hoofdprijs in handen te duwen. Ik ben voor een draaiende Tv-camera staande Carolien Tensen niet. Nee, nu ben ik als Carolien in haar vrije tijd uit zelfbescherming. Elke twintig meter word je hier wel minstens één keer gevraagd om een nutteloos product of overbodige dienst af te nemen. Nee zeggen en denken is er na een paar uurtjes al goed in gesleten.

De reis naar Nepal is goed verlopen. In de trein van RAI naar Schiphol werd ik nog even opgeschrikt door een man met Noord-Afrikaans uiterlijk, die op het laatste moment de trein in springt op station WTC-Zuid. Vlak voordat de deuren sluiten, kijkt het gezicht met een wrat ter grootte van een euromunt op de linkerwang gejaagd links en rechts over het perron alsof een meute Wilders supporters hem op de hielen zit. Als de leden van die losgeslagen horde hem al gespot hadden, hebben ze in ieder geval de beleefdheid gehad om mijn reis niet verder te verstoren door een andere deur van de trein te kiezen. Vergeef mij om de ongelukkige verbinding van de man met het exploderende kapsel met beleefdheid. De jetlag is nog niet helemaal verwerkt. Terwijl de man wegloopt, wil ik hem eigenlijk vragen of ik een foto van hem mag maken, omdat ik het zware vermoeden heb dat ik hem bij Opsporing Verzocht nog wel eens tegen zou kunnen komen. Ben ik al zo vergiftigd door de soundbites van die uit de psychiatrische inrichting (van) Roermond ontsnapte gek?

Op Schiphol maak ik het gebruikelijke rondje: douane, café Amsterdam, Holland Casino en Rijksmuseum. De douane neemt elke keer weer meer tijd in beslag. Steeds meer mensen dringen voor, omdat ze hun vlucht dreigen te missen. Misschien is iets eerder van huis of hotel vertrekken een goede tip voor deze reizigers. Of neem een abonnement op een degelijke krant in plaats van het nieuws te volgen via Daphne en Albert. Een file is dan al jaren geen verrassing meer. De lange wachttijd voor de controle van het paspoort wordt nu gelukkig gecompenseerd, want de handbagage wordt alleen aan de gate gecontroleerd. Jammer dat de milieutax nog niet ingevoerd is, want dan had ik die al weer lang en breed terug verdiend in het casino. Binnen een kwartier een rendement van 140% is geen enkele bankier gegeven, met uitzondering van die ene CEO die zijn bank in de uitverkoop laat verscheuren door drie concurrenten en daar ook nog een miljoenenbonus voor ontvangt. Het enige tegenslagje op de hele reis komt na acht uur vliegen. Op de computeranimatie van de vlucht verschijnt net ten noorden van het vliegtuig het woord Kathmandu. Nu blijkt dat ik vergeten ben mijn parachute in te pakken, waardoor ik gedwongen wordt om nog vier uur door te vliegen naar Singapore. Pas bijna elf uur later land ik in Kathmandu, waarbij ik ook de kilo oude kaas door de Singaporese douane heb weten te loodsen. De blik van de douanier, dat het midden houdt tussen medelijden en achterdocht bij de controle van de twee stukken voormalige koeienmelk, verdraag ik graag om de behoefte van Susanne voor een stukje Nederland in haar dieet te vervullen.

Inmiddels ben ik twee volle dagen in Thamel en ik acclimatiseer met gezwinde spoed. Ik ben gewend aan het ontwijken van de Nepali op motoren, die zich luid toeterend door de smalle straatjes al slingerend met een net iets te hoge snelheid een weg banen. Ik ben gewend aan de taxi’s die op plaatsen parkeren, die het verkeer volkomen ontwrichten. Ik ben gewend aan de honden, die elkaar verbaal trachten te overtreffen. Ik ben gewend om vriendelijk glimlachend het aanbod voor een riksjarit, een handgemaakte blokfluit, een doosje tijgerbalsem of een setje hangsloten af te slaan. Soms voel ik me een wandelende portemonnee, maar ik besef tegelijkertijd hoe gelukkig wij in Nederland zijn. Zorgen of ik ‘s avonds nog genoeg geld heb om te eten heb ik nooit gehad. Klagen over cruisende homo’s in het Vondelpark wordt ineens erg lachwekkend.

Ik zou wel eens willen zien hoe de grachtengordel en posh Oud-Zuid reageert als hun magnetrons, dvd-spelers, Playstations, blackberries en Italiaanse espressomachines acht uur per dag niet gebruikt kunnen worden, omdat de elektriciteit van staatswege wordt afgesloten. Er is in Nepal gewoon niet genoeg geld om voor een continue stroomvoorziening zorg te dragen. Vandaag is het van negen uur ’s ochtends tot twaalf uur ’s middag – jeetje, dus geen koffietijd – en ’s avonds van zes uur tot half tien – oops, mis ik GTST, ONM en DWDD – weer raak in het Tibet Guesthouse, waar ik verblijf. Hoewel? Een aantal kamers aan de noordkant van het gebouw liggen net in een ander district, waardoor daar weer andere tijden zonder stroom doorgebracht moeten worden. Het heeft wel wat om vijf verdiepingen via een trap af te dalen, terwijl je door kaarsen bijgelicht wordt en op de achtergrond de toeters, drums en bekkens te horen zijn, waarmee de Tibetanen hun gebeden begeleiden, niet alleen uit devotie, maar nu waarschijnlijk ook uit steun voor hun landgenoten, die door de Chinezen over de kling gejaagd worden. Het land waar we deze zomer vrolijk gaan sporten en waar onze zakenmensen ondersteund door de regering of stadsbesturen miljardenorders in de wacht willen slepen, heeft er geen enkel probleem mee om agenten in burgerkleding op Nepalese bodem in te zetten om elk snippertje onwelgevallig nieuws rücksichtslos de kop in te drukken. De stilte in de Westerse wereld is oorverdovend. Maar ja, laten we realistisch zijn. Het is toch veel belangrijker wie de opvolger van Uri Geller wordt en de prijzen voor de kaartjes voor het EK zijn het echte schandaal.

17 March 2008
By on 17:28
Groupie Peter

“Hallo, hoe gaat het met je”, zegt Bill Bryson met een stralende lach als zijn agente mijn exemplaar van Down Under onder zijn neus schuift. Voor de tweede keer in mijn leven – de eerste keer was aan een tafeltje in obscuur wegrestaurant aan de hoofdweg van Petra naar Amman in Jordanië toen een dame wiens naam ik uit privacy overwegingen onvermeld laat tegenover me zat -  ben ik met stomheid geslagen. Net als toen tollen in mijn hoofd honderden woorden, maar de samenhang ontbreekt. Er komt geen zinnig woord uit. Faalangst is ondanks een ongezonde hang naar perfectionisme niet een eigenschap die direct bij mij past, maar het lijkt of ik er nu weer mee te maken krijg. Waar is de Peter gebleven, die een half uur lang ongedwongen met Linda uit Adelaide staat te kletsen over leuke plekjes in Nieuw-Zeeland? Ik sta voor het tafeltje waarachter mijn grote voorbeeld zit en ik sla volkomen dicht. Bill zet zijn handtekening en ik neem het boek stilzwijgend in ontvangst, loop de winkel uit, geef Linda een hand ter afscheid en wens haar een goede reis. Als ik even later met een krantje bij Starbucks aan de overkant van de straat zit, snap ik nog steeds niet wat me overkwam.

De dag begon niet vlekkeloos. De rij voor de signeersessie was nog niet zo lang – ongeveer twintig personen – toen ik Whitcoulls aan 210 Queenstreet binnenliep. De fors uit de kluiten gewassen Bruna had natuurlijk de boeken van Bill Bryson prominent uitgestald. Helaas stond er geen exemplaar van Down Under bij. Juist dit boek wil ik gesigneerd hebben, omdat bij het lezen van het reisverhaal over Australië bij mij een licht opging. Schrijven over reizen is mogelijk op een aantrekkelijke humorvolle manier. Niet het saai journalistieke werk dat in de Nederlandse kranten en reistijdschriften de boventoon voert of de overgeschreven promotiefolders, die in de minder geloofwaardige bladen – je leest ze allemaal bij de kapper of de buurvrouw levert regelmatig een forse stapel aan – gepubliceerd worden. Nee, Bill Bryson geeft een karakterschets van de Australiër, die voor iedereen, die het land bezocht heeft, naadloos aan de eigen ervaringen aansluit. Hij gebruikt daar beschrijvingen van kleine voorvallen bij, die hij uitvergroot tot absurde proporties. Hilarisch is zijn verhaal over noordelijk gelegen Darwin, waarin hij in het Novotel grote moeite heeft om het restaurant te vinden en als hij eindelijk kruip door, sluip door aan de troggen is aanbeland, wordt hij geconfronteerd met ongeïnteresseerd en onbeschoft gedrag van het bedienend personeel. De moorddadige gedachten waren zo beeldend beschreven dat de tranen over mijn wangen rolden. Eindelijk had ik een schrijver gevonden, die het grijze gebied tussen journalistiek en fictie met grote liefde verkende, waarbij hij geen enkele moeite doet om een vorm van subjectiviteit te onderdrukken. Navraag bij de informatiebalie leerde mij, dat er geen enkel exemplaar – “de computer zegt het, meneer” – meer aanwezig was.

Snel loop ik Queenstreet in om in een andere boekwinkel een exemplaar in te slaan. Tien minuten later loop ik met mijn uitstekende richtinggevoel – twee minuten de andere kant op is een vestiging van Dymocks met grote voorraad Down Under, blijkt later – een andere vesting van Whitcoulls binnen. Hier geeft de computer aan, dat er nog vijftien exemplaren aanwezig zijn. Er is een kleine kanttekening: ze liggen in de vestiging waar ik net vandaan kom. Een telefoontje later ligt er eentje voor mij gereserveerd klaar. Na een wandeling van weer tien minuten – deze keer heuvel op, dus transpireren als een otter is een bescheiden beschrijving voor de rivieren vocht, die uit al mijn poriën stromen – ben ik terug waar mijn zoektocht begonnen was. De rij met wachtenden is inmiddels fors gegroeid, maar Bill Bryson is gearriveerd. Bij de informatiebalie weet niemand iets van mijn nog geen kwartier geleden gedane bestelling. Aan de kassa is de naam Peter net zo onbekend als het Kazachstaanse woord voor Borat-aanhanger. Gelukkig drentelt een nerveus mannetje rond het afgezette gebied bij Bill Bryson, die duidelijk een officiële functie heeft, gezien zijn bijna op A4-formaat uitgegeven identiteitspas. Ook hij heeft nog nooit van de bestelling gehoord, maar hij graait in een kartonnen doos, die zijn langste tijd gehad heeft, en daar komt een exemplaar van het door mij begeerde boek te voorschijn. Ik kan achteraan sluiten in de rij, die inmiddels tot de moeder aller rijen – dit is een understatement: het is de grootmoeder aller rijen – is uitgegroeid. Het gekeuvel met Linda leidt me af van het wachten. Als we het doel van de rij in het zicht krijgen, begint een stem via de omroepinstallatie te vertellen, dat de belangstelling groter was dan verwacht, dus de auteur zal zich verder beperken tot het zetten van een handtekening. Foto’s en persoonlijke opdrachten zijn helaas niet meer mogelijk, want hij heeft nog meer afspraken in de loop van de middag. Inderdaad begint de rij nu in vliegende vaart te slinken. Als het tempo nog iets opgevoerd zou worden, ben ik niet meer in staat om te volgen, want de laatste zes weken is mijn training voor de Marathon van Rotterdam een beetje in het slop geraakt. Dan sta ik oog in oog met mijn idool en het enige dat volgt, is een beschamende black-out.

Als ik na een half uurtje uit het raam van Starbucks kijk, valt mijn oog op een wachtende voor het voetgangersstoplicht. Het is Bill Bryson!! Snel pak ik mijn spulletjes – camera, het gesigneerde boek en de New Zealand Herald – bij elkaar en loop naar buiten. Ik kan nu mijn falen van eerder op de ochtend goed maken. Het doet me goed, dat hij gewoon op straat wandelt en dat hij niet in een geblindeerde limousine wordt afgevoerd, maar onverklaarbaar is dat niet, want het in de Verenigde Staten – en ook steeds meer in Nederland – gebruikelijke sterrengedrag wordt in Nieuw-Zeeland niet op prijs gesteld. Ik durf hem niet direct aan te spreken, want hij is druk in gesprek met zijn agente. Uren lezen in boeken van Frederick Forsyth, Tom Clancy en David Baldacci heeft mij de kunst van het achtervolgen onderwezen. Die kunst pas ik nu toe. Op ongeveer tien meter loop ik achter BB aan. Het valt zelfs mij op dat zijn kledingkeuze wat aan de oubollige kant is. Een zwart ribfluwelen jasje, dat een maatje te groot is, op een donkerblauwe chinobroek met grijze stappers, die je slechts in de Nederlandse bejaardenhuizen nog wel eens tegen komt. Ook moet hij gezien de combinatie van roze overhemd met rode das lijden aan een vorm van kleurenblindheid. Langzaam maar zeker haal ik hem in, maar net als ik hem op de schouder wil tikken, loopt hij Borders, een andere boekenwinkel aan Queenstreet, binnen. Ook hier heeft hij een signeersessie. Ik sluit daarom aan in de rij. Tijdens het wachten sta ik enkele malen op het punt om de rij te verlaten, want de moed zinkt me weer in de schoenen. Pas als ik me bedenk dat het eigenlijk heel leuk moet zijn om te horen, dat je iemand geïnspireerd hebt, nemen de zenuwen af. Als ik bij hem voor het tafeltje sta, bedank ik hem voor de inspiratie, die het boek dat hij een half uurtje geleden gesigneerd heeft, mij heeft gegeven, waardoor ik nog steeds de ambitie heb om reisschrijver te worden. Bill Bryson is gelijk belangstellend en wil weten waar ik voor schrijf. Het is geen lang gesprek, want daar zorgt de agente – wijzende op de lange rij achter me – voor. Als een echte Amerikaan sluit hij af met de zin “leuk je te ontmoeten”, maar de toegestoken hand, die ik gretig schud, geeft mij het gevoel dat het deze keer gemeend wordt. Ik verlaat het pand met een brede glimlach die ook op mijn achterhoofd te zien moet zijn.

Die glimlach heeft zich vrij lang kunnen handhaven. Zelfs een verloren ticket – €50,- voor het opnieuw uitgeven, wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten – bracht geen verandering in mijn gemoedstoestand. Ook de vluchten naar Nederland – deze keer wel exit row met vrije middenstoel bij de KLM – en de lange – door de nieuwjaarsvakantie in China – rijen in Shanghai waren niet in staat om de glimlach van het gezicht te poetsen. Anderhalf uur Nederland daarentegen waren meer dan voldoende om in een diepe depressie te vervallen. In die tijd werd ik verrot gescholden, omdat ik er iemand op attent maakte dat je een boete voor roken op station Schiphol kon krijgen, en wist ik op het zebrapad vlak voor mijn deur een dodelijk ongeluk op het laatste moment te voorkomen door snel naar het trottoir terug te springen, wat met drie rugzakken – één grote op de rug en twee kleine, maar hele zware door boeken, camera en laptop, in de hand – geen geringe prestatie is. Welkom terug in Nederland, woestijn in de wereld van fatsoen.

27 February 2007
By on 10:39
Epiloog

Dit is het einde! Noordelijker kan ik niet komen met een auto. De laatste twintig kilometer reed ik over een gravelroad met vele bochten. 1 Mijn auto laat een grote stofwolk achter en als ik op het juiste moment gas geef, ga ik driftend door de bochten, terwijl de kiezelstenen van onder mijn banden de berm in schieten. Dit is het einde van de SH1 en van mijn reis. Hoewel ik nog drie dagen te gaan heb in Nieuw-Zeeland, sta ik nu bij de vuurtoren van Cape Reinga met het gevoel dat de reis volbracht is. Ik hoor de golven van de Tasman zee tegen die van de Stille Oceaan botsen. Ook hier gaan de krekels te keer. De lucht ruikt zilt en de zon weerspiegelt in het blauwe water. Alles wat hierna komt, is de terugreis naar Amsterdam. Als ik een Russische – en zeer luidruchtige – toerist met een T-shirt de tekst “Iamsterdam” zie, weet ik het zeker: Het is tijd om naar huis te gaan. Cape Reinga is een toepasselijke plaats voor deze gedachten. Volgens de Maori vertrekken hier de geesten van de overledenen naar het voorouderlijke vaderland Hawaiiki-A-Nui. Daarom wordt de kaap ook wel Te Rerenga Wairua genoemd, de springplank voor de geesten. Zo voel ik me nu ook. De laatste zes weken heb ik vele indrukken opgedaan en vergeefs probeer ik ze op een rij te krijgen. Ruim 6.000 foto’s en bijna 7.500 zelf gereden kilometers hebben een onvergetelijke en overweldigende indruk achtergelaten. Het is bijna ondoenlijk om in Nieuw-Zeeland in een paar woorden samen te vatten.

In tegenstelling tot Europa is in de steden weinig bijzondere architectuur waar te nemen. Vaak is het huis van onze buren al ouder dan het historisch aangeprezen station of kerkje in een willekeurige kiwi-plaats. Met afstand het lelijkste gebouw is de Beehive in Wellington, het gebouw waarin de regering poogt het land te besturen. Nieuw-Zeelanders zijn trots op de aparte vorm van het gebouw, ik dacht echter gelijk aan een opengewerkte straalmotor op zijn kont. Dat associeer ik met lawaai en vervuiling, dus niet een echte aanbeveling, hoewel deze twee zelfstandige naamwoorden wel goed passen bij de gemiddelde politicus, lawaai door het vele geblaat en vervuiling door allerlei onmogelijke en onwerkbare regeltjes. 2 Het mooiste gebouw is ongetwijfeld het station van Dunedin. Niet omdat het door iedereen gezegd wordt, maar omdat de bovenste verdieping de New Zealand Sports Hall of Fame bevat. Hier worden de sporthelden van een kleine natie vereerd. In dit geval kreeg mijn vermeende sportkennis een gevoelige tik. De enige naam in rugby, die ik kende, was Jonathan Lomu. Deze gigant van 1.96 en dik 110 kilo, die in de world cup van 1995 de thuis spelende Engelsen vrijwel in zijn eentje in de halve finale op de knieën bracht, werd nergens genoemd en is zeker niet in de galerij der groten opgenomen. Toen ik een paar dagen later bij Brian in Haast het ontbreken van – in mijn bescheiden mening – de grootste rugbyspeler ter sprake bracht, werd ik in mijn gezicht uitgelachen: “De jongen was verdomde onbruikbaar”, was het korte en bondige oordeel. Waarschijnlijk had ik dezelfde reactie gegeven als een kiwi beweerd had, dat Ivan Gabrich – herinnert u zich deze nog – de beste spits van Ajax is geweest.

Landschappelijk heeft dit land op het randje van de Pacific veel te bieden. Zelf ben ik weg van Taranaki – letterlijk vertaald: schitterende berg – of Mount Egmont. In een vlak landschap steekt deze perfecte conische vulkaan ruim 2.500 meter de lucht in. 3 Waarschijnlijk is het aangezicht in de winter nog mooier, als de bovenste helft met sneeuw bedekt is. Zelfs op een wegenkaart zie je perfecte ronde vorm van deze slapende vulkaan. De rivieren lijken als een stralenkrans de top te omgeven. Als je ook nog in aanmerking neemt, dat de eenzame positie van deze vulkaan door de Maori door een vlucht voor een verloren liefde wordt verklaard, neemt de waardering voor deze prachtige puist alleen maar toe. Moedwillig doe ik andere landschappelijke gebieden in het land van de lange witte wolk tekort. Ook Doubtful Sound is van een ongekende schoonheid, maar hetzelfde landschap heb ik al eens in Noorwegen en Chili gezien, weliswaar met iets andere planten en fauna, maar fjorden blijven fjorden. Er zijn weinig gebieden waar ik niet van onder de indruk was, maar als ik – met een geladen pistool tegen één van mijn slapen – toch zou moeten kiezen, vrees ik dat de Canterbury Plains onderaan de lijst eindigen. Het lijkt het meeste op Nederland: plat, veel koeien, rechte wegen.

Activiteiten in Aotearoa zijn er genoeg. Er is mij al gevraagd of ik aan bungee jumpen, zorbing – in een grote plastic bal van een helling afrollen – of wildwatervaren heb gedaan. Nee, nee en nee, kortom driewerf nee. Nieuw-Zeeland is een land bij uitstek om de adrenaline spiegel tot ongezonde hoogte op te voeren. Ik ben echter niet van plan mijn veel te leuke leven op het spel te zetten in de wetenschap dat een elastiekje me van een wisse dood zou moeten redden. De lol om vrijwillig in een wasmachine – rollend of varend – te stappen is mij ook niet duidelijk. Ik stap toch ook niet een magnetron of gehaktmolen in? Die apparaten zijn gemaakt om ons leven makkelijker te maken, niet om er zelf in te gaan zitten. De shotover Jet – hard vlak langs rotsen varen met een opgevoerde surfplank – was meer dan voldoende voor mij. 4_1 Geef mij maar de rit naar de kolonie Jan-van-Genten op Cape Kidnappers. Lekker op een wagen achter een tractor over het strand naar de voet van de kaap rijden, waarbij alleen de vraag of we op tijd terug zouden zijn voor de vloed het strand overspoelde door mijn hoofd speelde. Buiten een paar spetters op de broek, was deze rit zonder incidenten. Ondertussen heb ik wel de tijd gehad om bijna driehonderd foto’s te nemen, waar een paar het tonen waard zijn.

In zes weken ontmoet je vele mensen. De meeste zijn toeristen, dus per definitie oninteressant, want ze leren je het land niet kennen. 5 Zo ontmoette ik een Canadees in Paihia – ik heb niet eens de moeite genomen om zijn naam te onthouden – die na vier zinnen al vroeg of hij in mijn verhalen voor zou komen. Na hem er iets minder subtiel op gewezen te hebben, dat hij voorlopig nog geen onuitwisbare indruk op me gemaakt had, kreeg ik een lijst van alle door hem gemaakte reizen en bezochte plaatsen in zijn inmiddels op penopauze aanbelande leven. Wat dat betreft is een reisje Antarctica – oops, nu doe ik ook aan namedropping – altijd goed om dit soort uitslovers het zwijgen op te leggen. Gelukkig kom je ook stellen als Susan en Robert tegen, die hun huis in Greymouth tot lodge hebben omgebouwd, maar het huiselijke karakter hebben behouden. Het is heerlijk om rond vier uur – ’s middags, voor de moedwillig verkeerd interpreterende lezer – de eerste fles wijn open te trekken en lekker te ouwehoeren over toekomstplannen, ieder land’s gebruiken en afwijkingen, de geneugten van het leven en de volgende fles wijn. Dat het eten erbij inschiet en de maaltijd uit niets anders dan een zak chips, cashewnoten en olijven bestaat, maakt de ervaring alleen maar prettiger.

Het is een prachtige reis met vele hoogtepunten en een paar dieptepunten – ik baal er echt van dat ik van de 45 miljoen schapen er ongeveer drie of vier niet gezien heb, omdat ze net achter een boom of schuur stonden – geworden, maar met een beetje geluk komt morgen – de laatste dag in Auckland – het echte hoogtepunt nog. Vanochtend viel mijn oog op een advertentie in The New Zealand Herald. Van 11.45 tot 12.30 uur zal op 210 Queens Street bij Whitcouls – op vijf minuutjes wandelen van mijn hotel – een signeersessie plaats vinden van Bill Bryson. Velen onder de lezers zal deze naam niets zeggen, maar hij is de reisschrijver – Amerikaan, maar gelukkig vele jaren in Engeland wonend doordat zijn echtgenote daar geboren is – die mij inspireert. Toen ik zijn boek Down Under – zover ik weet is het nog niet in het Nederlands vertaald – las op een trip naar Jordanië begin oktober 2001, wist ik dat schrijven over reizen meer is dan de hoogtepunten en de prijzen op een rijtje zetten, zoals in de Nederlandse tijdschriften en kranten gebruikelijk is. Zijn beschrijving van een diner in het Novotel van Darwin is zo hilarisch, dat drie reisgenoten bij terugkomst op Schiphol hetzelfde boek wilden kopen, omdat ik met tranen in de ogen van het lachen het bewuste hoofdstuk in de bus had zitten lezen, terwijl ik de – van horen zeggen – prachtige omgeving volledig negeerde. Zijn boeken zijn voor mij geen leesvoer, maar studiemateriaal. Ik heb mijn eigen stijl – waarbij de resultaten van Ajax een belangrijk element zijn, maar afgelopen zondag laat ik even onvermeld – maar in hoofdlijnen doe ik hetzelfde als hij: Reizen heeft ook minder aangename kanten en neem jezelf vooral niet te serieus. Oog in oog met deze man staan, is voor mij hetzelfde als een jong voetballertje dat Marco van Basten of Johan Cruijff de hand mag schudden. Of de beginnende tenor, die een masterclass van Luciano Pavarotti krijgt of het JOVD-lid dat Hans Wiegel een biertje mag brengen. Mezelf kennende zal ik me beperken tot het vragen van een handtekening in Down Under, als dat al zonder hakkelen lukt.

21 February 2007
By on 12:21