Vreemde gasten, die Bhutanezen
“Laat me alsjeblieft zelf rijden”, wil ik uitschreeuwen, als we weer in een slakkengangetje over de Bhutanese wegen kruipen. Chauffeur Ajit heeft maar één doel in het leven: zijn auto elke avond heelhuids parkeren voor het hotel. Ik voel me alsof we in een nooit eindigend woonerf verdwaald zijn. De snelheidsmeter komt zelden boven de dertig. Ik geef toe dat de gemiddelde kwaliteit van de wegen geen Duitse snelheden toestaan, maar een beetje meer gas lijkt me toch wel kunnen. Dan zie ik ineens dat we zelden of nooit worden ingehaald. Sterker, meestal gebruikt Ajit zijn toeter met veel enthousiasme als weer eens een logge vrachtwagen, onzekere bestuurder of zwalkende bus ingehaald wordt. Ik zit in de auto bij een Bhutanese wegpiraat! Alsof de strook asfalt nog niet genoeg bochten heeft – ik heb een keer negen bochten binnen tweehonderd meter geteld, waarvan er twee als haarspeld geclassificeerd mogen worden – zoekt hij ook nog een weg tussen de gaten in het wegdek door. Hij wordt niet geremd door het concept van de linker – en voorgeschreven – of rechter – met tegemoetkomend verkeer – zijde van de weg, maar gebruikt de weg en de bijbehorende berm in haar volle breedte. Complicerende factoren zijn grazende koeien, die het theorie-examen van de plaatselijke CBR nooit onder ogen hebben gehad, en een midden op de weg opduikend en niet te omzeilen benzinestation. Ook wordt het passerende verkeer gebruikt door de bamboevlechters. In plaats van je nagels scheuren bij het splijten van de bamboestengels, laat je de banden van de toeristenbakken het zware werk doen. Zou hier de naam Multi Purpose Vehicle vandaan komen?
Aan de eetgewoonten van de Bhutanezen wen ik maar niet. Het maakt niet uit wat ze voorgeschoteld krijgen, maar er zit altijd een gerecht bij dat bestaat uit chilipepers en een kaassaus. De laatste blust in geringe mate het vuur dat het eerste veroorzaakt. De eerste keer dat dit gerecht op tafel verscheen, schepte ik het met een paar forse lepels over de rode rijst, die in Bhutan eerder de regel dan de uitzondering is. Ik nam er één hap van en de eerste indruk was: hmmm, pittig spul. Toen maakte ik een fout. Met mijn tong maakte ik een likkende beweging over mijn lippen. Een minuutje ging het goed. Toen begon mijn tong te prikken. Ik dronk een glas water om de prikkeling te verminderen, maar het hielp weinig. Ik voelde me net een brandweerman met een plantenspuit, die een brandende oliebron moest blussen. Langzaam begonnen nu ook mijn lippen tekenen van uitslaande brand te vertonen. Om de pijn te verlichten, streek ik met de rug van mijn linkerhand langs de gevarenzone. Dom, dom, dom, want nu begon ook die hand te prikken alsof een acupuncturist al zijn spelden tegelijk in mijn gevoelige huid boorde. Eén ding was mij duidelijk: ik raak geen chilipeper meer aan. Zelfpijniging is niet mijn stijl. De rest van de reis had ik geen enkel medelijden met Dorji of Ajit – deze leugenaars zeiden: erg heet, maar het verwarmt je lichaam – als zij klagelijk over hun buik streken, omdat ze de avond daarvoor een beetje te veel chili naar binnen hadden geschoven.
Ara drinken daarentegen is een gewoonte, die ik me wel eigen zou kunnen maken. Dit drankje is een soort rijstewijn, dat je aangeboden krijgt als je Bhutanese families thuis bezoekt. Het smaakt naar jonge jenever. In Trongsa werd ik uitgenodigd bij Nima, een ‘broer’ – het is eigenlijk een neef – van Dorji, die commandant van de politie in de Dzongkhag Trongsa – een provincie ongeveer ter grootte van de provincie Utrecht – is. In een bescheiden woning neem ik plaats op de erezetel. Ik kijk tegen een kast waar foto’s van de vorig jaar geboren dochter en zeer aantrekkelijke echtgenote staan. Verder is de uitgebreide collectie van Barbiepoppen, alle nog in hun originele doos, uitgestald. Rechts onderin staat een plastic fles met een kleurloos goedje. Het blijkt ara te zijn, die thuis gestookt werd door een kennis in een dorp een dal verderop. Blijkbaar is thuis sterke drank stoken toegestaan of de politie is toch iets corrupter dan ik vermoedde aan de hand van mijn observaties. Ik krijg een tot de rand gevuld borrelglaasje aangeboden. In mijn onschuld denk ik dat ééntje wel geen problemen zal geven, maar zo makkelijk kom ik er niet vanaf. De gewoonte is om de eerste drie glazen zonder commentaar op te drinken. Pas bij het vierde glas is het mogelijk om vriendelijk aan te geven dat je limiet bereikt is. Drie borrelglaasjes kan ik gelukkig zonder probleem aan. Als ik later in de Phobjika vallei bij een boerengezin een plastic rijstekom ara aangeboden krijg, zie ik mezelf al zwalkend de weg terug naar het hotel afleggen, want een halve liter van dit goedje is vermoedelijk boven mijn limiet. Gelukkig schenkt de gastvrouw al bij als ik een paar nipjes genomen heb, dus de schade blijft binnen de perken. Ik had al genoeg moeite met de overduidelijke armoede, waarin dit gezin leeft. Om op hun kosten ook nog dronken te worden, is wel erg schrijnend.
Rothonden! Deze keer heb ik het niet over aanhangers van Rita Verdonk, die hun onderbuikgevoel tegenwoordig zonder gêne denken te kunnen tonen. TON is LPF deel 2. De aanhangers hebben dezelfde foute witte smokings met rode overhemden aan, het haar gekamd alsof ze naar een Elvis Presley reünie gaan en een uitdrukking op het pafferige gezicht, die van weinig intelligentie getuigt. Tuig Overheerst Nederland is het eerste wat bij me op komt als ik dat treurige stelletje nouveau riche op een krantenfoto geportretteerd zie bij de presentatie van de ‘ideeën’ van Rita-recht-door-zee-zolang-ik-maar-in-het-middelpunt-van-de-belangstelling-sta-Verdonk. Maar terug naar een andere categorie rothonden. Avond aan avond blaffen ze hun longen uit het lijf. Waar je ook verblijft in Bhutan, ze zijn onderdeel van het straatbeeld, de zwerfhonden. Overdag zie je overal opgerolde hondenlichamen. Lekker in het zonnetje liggend slapen de krengen de vermoeienissen van de afgelopen nacht weg. Ik moet toegeven, dat na een week het voortdurende gejank me niet meer wekt. Je went eraan, maar ik kan het niet laten om regelmatig een slapende hond even te wekken en hem bestraffend toe te spreken: “Was jij dat vannacht, die me uit mijn slaap hield? Niet meer doen!”. Het is kinderachtig, maar soms lucht wraak best op. Dorji moet wel lachen om mijn infantiele gedrag. Hij huldigt de mening:“Bhutan heeft geen terroristen. Bhutan heeft honden.”
Kraanvogels zijn veel rustiger. Misschien komt dat omdat ze al vertrokken zijn naar hun zomerverblijf in Noord Tibet, want zij kunnen het afsluiten van de grenzen door de Chinezen gewoon negeren. Deze vogels hebben in Bhutan een heilige status, terwijl de afnemende aantallen streng beschermd worden. Op het doden van een exemplaar staat levenslange gevangenisstraf, terwijl het vermoorden van een mens maar vijftien tot twintig jaar kost en inwoning oplevert. Het verbaast me wel dat voor moord op bankemployees geen strafvermindering wordt gegeven. Waar wij gewend zijn om even naar de muur te lopen en een minuutje later met een stapel bankbiljetten weer aan het consumeren kunnen slaan, ben ik in Bhutan in de middeleeuwen beland. Al bij het betreden van het bankkantoor wordt mijn vertrouwen in het Bhutanese bankwezen ondermijnd. De ruimte is een donker hok dat niet groter is dan een gemiddelde hotelkamer van een middenklasse hotel. Door het midden over bijna de gehele lengte is een balie, waarop een ongeordende stapel kasboeken – voor de jongeren onder jullie: een stapel ingebonden ruitjespapieren waarin inkomsten en uitgaven werden opgeschreven, voordat de microchip zijn intrede deed – lag. Het krioelt van de mensen, waarbij het niet altijd duidelijk is of het klanten of bankemployees zijn. Links in het hoekje is tussen balie en buitenmuur een hok van kippengaas geplaatst, met twee luikjes waar net een hand doorheen kan. De ene is getooid met het opschrift ‘Betaling’, de andere met ‘Ontvangst’, maar als bij een goede bank wordt dit luikje geblokkeerd door een rood plankje. Waarschijnlijk wordt dat plankje alleen verwijderd als de plaatselijke Rijkman Groenink een deel van zijn ontslagvergoeding komt ophalen. Ik voel me als een product op de lopende band. Melden bij de kassier achter het kippengaas met een paar eurobiljetten. Stempel erop en doorschuiven naar een bureau weggestopt in de andere helft van het bankkantoor achter de balie. Het betalingsbewijs wordt uitgeschreven, terwijl allerlei vage figuren het kantoor van de manager achter het bureau in en uit lopen. Stempel erop en de employee schrijft het eurobedrag en de tegenwaarde in ngultrum op in een kasboek, dat hij uit de grote stapel op de balie weet te vissen. Stempel erop en mijn verblijfvergunning wordt gecontroleerd, want wie denkt er nog aan dat je een paspoort nodig hebt bij geld wisselen. Stempel erop en het betalingsbewijs wordt aan de bevoegde manager gegeven, die meer belangstelling heeft voor de advertenties met felicitaties voor de winnaar van de verkiezingen in de krant. Stempel erop en de kassier krijgt opdracht om de betaling uit te voeren. Stempel erop en eindelijk heb ik na een kwartier een stapeltje biljetten in handen, die ik door het luikje ‘Betaling’ ontvang. Naast me staat een Amerikaanse met humor te wachten, want haar travellers cheques zijn een half uur eerder ingeslikt, maar nog niet uitgespuugd door de ambtelijke molen. Ze verzucht: “Ik zou ook nog even wachten, want met Bush aan het bewind wordt de dollar elke seconde minder waard.”
Aanpassingsvermogen is een vereiste als je door Bhutan reist. De beheerders van de tempels hebben hun eigen agenda en die strookt niet altijd met die van de toerist. Vooral de niet door de overheid gesponsorde tempels, die dus afhankelijk zijn van giften van derden, blinken uit in onvindbare sleutels. Maar ook Dorji heeft zo zijn verrassingen. Na de eerste nacht in Paro staan we ’s ochtends op het punt om naar het festival te vertrekken. “We gaan vanavond in een ander hotel slapen”, deelt hij me mede. “Okay, wanneer brengen we de spullen naar het andere hotel?”, vraag ik in mijn onschuld. “Wat dacht je van nú?”, krijg ik te horen. Eén minuut later sta ik op mijn kamer in grote haast al mijn spullen te verzamelen. Als we weer een minuut later bij de auto staan, hoop ik dat ik niets over het hoofd heb gezien. Meestal kom je daar pas achter op het meest ongelegen moment, bijvoorbeeld je mist je Diacure om weer fit na het zien van Fitna te worden. Waar ik ook aan moet wennen, is het rondlopen op kousenvoeten door de tempels. Voor toekomstige Bhutangangers is het aan te raden om schoeisel mee te nemen, dat snel uit en aan gedaan kan worden. Schoenen met veters vergen veel tijd, lenigheid en dreigen je soms geld te kosten. Als ik bij Tango Goemba, een soort kloosteruniversiteit net ten noorden van Thimphu dat na een stevige wandeling bergop te bereiken is, mijn rechterschoen aan het strikken ben, terwijl deze schoen op een ijzeren box rust, denken de monniken in opleiding dat ik van plan ben de schoen te doneren. Mijn maat 46 verbergt de tekst, die ik pas lees als ik mijn voet optil: Donatiebox. Alles wat je hierop legt of in stopt, is voor het klooster. Gelukkig hebben de monniken begrip voor een domme toerist en kan ik mijn weg vervolgen met beide schoenen en hoef ik de berg niet af te dalen als een Manke Nelis.
Met sporten kom je regelmatig in aanraking. De nationale sport is boogschieten. Op een zondagochtend belanden we in Jakar, provincie Bumthang – wat overigens onterecht de vallei van de mooie meisjes betekent – in centraal Bhutan, in een plaatselijk toernooi. De mannen in gho – de traditionele mannenklederdracht – hebben alleen een bamboeboog in handen, terwijl de vrouwen in kira – de traditionele vrouwenklederdracht – toekijken, de tegenstander uitjoelen, het eigen team aanmoedigen en dansjes maken als de landing van de pijl daar aanleiding toegeeft, in de roos bij het eigen team of een afzwaaier van de tegenstander. Het team bestaat uit een elftal personen en iedereen schiet twee pijlen. Het doel is niet groter dan een pizzabord op 120 meter afstand. Nadat ieder teamlid gereed is, wandelt hij alvast naar het doel zich niet bekommerend om rondvliegende pijlen. Nadat het laatste teamlid zijn pijlen afgevuurd heeft, worden de punten – hoe dichterbij de roos, hoe meer – geteld en begint het hele spel weer van vooraf aan, maar nu in tegengestelde richting. Als ze de pijl afschieten, ben ik hem halverwege al uit het oog verloren. Alleen een stofwolkje in het zand of een rondedansje van supporters en teamleden in de buurt van het doel geeft enige indicatie waar de pijl geland is. Regelmatig loopt een schutter schreeuwend achter de pijl aan alsof die onderweg over te halen is om van richting te veranderen. Missers worden luid becommentarieerd, terwijl teamleden druk gebarend de schutter nogmaals wijzen op de roos om hem duidelijk te maken, waar hij op dient te mikken. Ondertussen liggen halverwege de baan een paar honden rustig bij te komen van de vermoeienissen van de afgelopen nacht. Helaas komen de afzwaaiers niet eens in hun buurt terecht. Daarvoor zijn de Bhutanezen net iets te bedreven in het boogschieten. Ook kennen ze een fusie van darts en speerwerpen, khuru genaamd. Met darts, die kilo’s Stanazolol hebben geslikt, gooi je naar een doel – een plankje met een roos erop – dat ongeveer dertig meter verderop staat. Onder invloed van ara heb ik een paar pogingen gewaagd tegen Nima en Dorji. Het is dezelfde beweging als een service bij het tennis, waar ik meer dan genoeg ervaring mee heb. Helaas tennis ik rechtshandig, maar gooi ik als een pubermeisje met deze kant. Gooien met links ziet er beter uit, maar die schouder is duidelijk ongetraind merkte ik de volgende ochtend, toen ik mijn kopje thee nauwelijks omhoog naar mijn mond wist te brengen. Voor de geïnteresseerden: de roos heb ik niet getroffen, het plankje heb ik niet getroffen, het zand heb ik zonder moeite getroffen, waarbij ik vooral trots was op de worp die op ongeveer drie meter van het doel landde.
Prachtig land! Dat is mijn algemene indruk van Bhutan en toch knaagt er iets. Er is iets waar ik de vinger niet achter kreeg, totdat ik me ineens een bezoek aan Oost-Berlijn herinnerde vlak voordat de muur viel. Ik ontmoet dezelfde kritiekloze houding ten opzichte van de machthebbers. Honecker en zijn trawanten of de koningen van Bhutan, ze werden of worden op dezelfde manier bewierookt om hun visie voor de ontwikkeling van het land. Toch is er een groot verschil: Ik krijg het gevoel dat de verering van de koning werkelijk gemeend is, want men is wel bereid om kritische vragen serieus te beantwoorden, terwijl in Berlijn de partijgrammofoon grijs gedraaid werd, waarbij de DDR als een utopische maatschappij – alleen geloofwaardig als je liefhebber van de kleur grijs, grauw grijs, bent – werd gepresenteerd. De Bhutanees is trots op wat Bhutan onder leiding van de koningen in de laatste halve eeuw bereikt heeft, maar het besef dat er nog een lange weg te gaan is, is ook aanwezig. Vooruitgang door geïmporteerde technologie is geen angstbeeld, maar verlies van eigen cultuur wel, waarbij de Lhotshampa voor het gemak als cultuurvreemd worden gezien. Met plezier denk ik terug aan alle rode monden door het kauwen op de betelnoot met limoen en rode plekken op straat waar de resten van dit goedje werden uitgespuugd. Ik glimlach als ik de avonden aan de snookertafel terughaal waar mijn superieure lengte duidelijk invloed had op de einduitslag. Ik ben vertederd door de subtiele manier waarop men aangeeft dat er genoeg gegeten of gedronken is, hand voor mond of boven kop, of toiletbezoek gewenst is, pink in de lucht. Grappig vind ik de uniforme reclameborden boven de winkels, witte letters op een blauwe achtergrond, of het wisselgeld in snoepjes, eentje per ngultrum. Ik verwonder me over de rododendron op de voorkant van de taxi’s of het onbegeleid aanwijzen van je ruimbagage op het platform op het vliegveld van Paro bij vertrek. Ik schud meewarig het hoofd als ik hoor dat als teken van milieubewust leven alle daken van Thimphu en andere bevolkingscentra groen geverfd moeten worden, vooral omdat de verf zo dik op de aflopende golfplaten wordt gesmeerd, dat ik door onoplettendheid – fotograferen onder een net geschilderd afdakje is niet aan te raden – heel wat zeep nodig heb gehad om mijn haren weer donkerblond te krijgen. Of de trui nog te redden is, zie ik wel in Nederland. Er is echter nog één vraag waar ik maar geen antwoord op krijg. Waarom worden sommige bochten via een verkeersbord aangekondigd als scherpe bocht, terwijl alle andere duizenden even scherpe bochten deze voorkeursbehandeling niet krijgen?
